De geschiedenis van telefonie

Telefoneren vinden we heel gewoon maar de geschiedenis van telefonie is nog helemaal niet zo oud. Telefoneren heeft sinds 1980 een nieuwe impuls gekregen: mobiel telefoneren. Tegenwoordig bellen we overal waar we maar willen met iedereen ter wereld. En de kosten daarvan zijn eigenlijk niet eens hoog, als je bedenkt wat er allemaal mogelijk is. Hoe was de weg daar naartoe en hoe werkt telefoneren eigenlijk? En sinds wanneer kunnen we telefoneren met beeld, videobellen genoemd?

Lees verder na de afbeelding.

De geschiedenis van de telefonie

Hoe het begon

De geschiedenis van telefonie begint in 1876, als Alexander Graham Bell patent op de telefoon aanvraagt. Hij is niet de uitvinder van telefonie, dat is Antonio Meucci. Meucci had niet genoeg geld om patent aan te vragen en Bell had dat wel. De geschiedenis van de telefonie gaat natuurlijk nog iets verder terug, naar de jaren dat Meucci onderzoek deed en tot zijn vinding kwam. Vijf jaar later, in 1881 is er al de eerste telefooncentrale met zo’n 50 abonnees. In 1960 zijn dat er een miljoen. Het wordt te druk om alle verbindingen handmatig tot stand te brengen en vanaf 1962 zijn de telefooncentrales dan ook geautomatiseerd. Abonnees kunnen nu, zonder tussenkomst van een derde, contact maken met elkaar door een nummer te kiezen met een draaischijf op de telefoon. 

De werking van een telefoon

Hoe kan het dat mensen die telefoneren -soms op zeer grote afstand- elkaar kunnen verstaan? Op het moment dat iemand praat ontstaan er luchttrillingen, onze stem dus. Deze luchttrillingen worden met behulp van een microfoon omgezet in een elektrische stroom. De elektrische stroom kan óf via een kabel óf via een radioverbinding worden verplaatst. Dat kan rechtstreeks naar de beller aan de andere kant van de lijn of via een telefooncentrale. Het klinkt simpel maar het blijft voor velen van ons toch iets ongrijpbaars, luchttrillingen en elektrische stromen. 

Mobiel bellen

De jongste ontwikkeling met betrekking tot de geschiedenis van de telefonie is het mobiel bellen. Dit fenomeen ontwikkelde zich rond 1980. Het grote voordeel van mobiel bellen was -en is- dat je niet meer naar een bepaald punt hoeft om te bellen maar (bijna) overal ter wereld kunt bellen. Je hoeft niet op kantoor, thuis of in een telefooncel te bellen. Het kan ook als je op het water bent, ergens in de bergen of in het park op een bankje zit. Er zijn nog wel plekken waar mobiel bellen niet kan, doorgaans daar waar geen goede internetvoorzieningen zijn. 

Mobiel bellen bracht nog een andere verandering te weeg: in plaats van draaien aan een schijf zijn we gaan drukken op knopjes. Het verschil zit in het signaal dat wordt doorgegeven: met drukknoppen geven we toontjes door aan de centrale. 

ADSL, ISDN en glasvezel

Met de intrede van internet deed ADSL haar intrede. Een (trage) internetverbinding via een inbelverbinding. Je kon dus óf bellen óf internetten. Enkele jaren later kwam ISDN, een lijn waarover meer data kon worden verzonden en dus bellen en internetten tegelijk mogelijk was. Er ontstond in deze tijd ook concurrentie tussen allerlei aanbieders van internet waarbij niet alleen de kosten van een abonnement een rol spelen maar ook de snelheid van het internet. 

Meest recent is het zogenaamde glasvezel netwerk. Glasvezel bestaat uit haar dunne, buigzame vezels van zuiver en helder glas. Er kunnen over dit netwerk hogere datasnelheden worden behaald dan via de andere netwerken, die van koper zijn. 

Verbindingstechnieken telefonie

Telefoneren kan nog steeds op verschillende manier met behulp van verschillende technieken:

  • Telefoonkabels
  • Straalverbinding; vooral gebruikt in gebieden waar een minder goed bereik is
  • Satellietverbinding; in verband met de hoge kosten hiervan zijn pogingen een wereldwijd netwerk aan te leggen tot op heden gestrand. 

Videobellen

Behalve elkaar horen willen we elkaar ook graag zien. Dit verhoogt het gevoel van nabijheid. Al in 1900 werden hiertoe de eerste stappen gezet met telectroscope: een soort elektronische verrekijker waarmee je gezichtstrekken van mensen die ver weg zijn kunt zien. In de jaren twintig volgt dan de gedachte aan de zogenaamde Televisor, elkaar zien via de telefoon. In 1927 is het zover: Herbert Hoover spreekt via de telefoon en zijn gezicht is daarbij ook te zien. Het beeld wordt ontvangen bij Bell Telephone Laboratories in New York. Onderzoek naar beeldbellen gaat de jaren daarna wel door maar sterk vertraagd, waarschijnlijk door de Tweede Wereldoorlog. 

In de jaren vijftig wordt de televisie gemeengoed en lijkt videobellen ook steeds naderbij te komen. Via verschillende ontwikkelde apparaten komt dan in 1980 de ‘Picture Phone’, waarop zo’n 450 mensen zich abonneren. Het is echter geen doorslaand succes. Ook andere modellen die op de markt komen zijn niet succesvol. Videobellen is lang niet zo populair en zelfs gewenst als men had verwacht. Vrouwen zien er wel iets in voor privégesprekken maar mannen zien er veel minder in voor hun voornamelijk zakelijke gesprekken. Beeldbellen komt dan ook niet echt van de grond. Er zijn ook technische bezwaren en veel mensen voelen ‘schroom’ om te videobellen. 
Als de fax op het toneel verschijnt raakt videobellen helemaal op de achtergrond. Wel wordt videobellen meer populair voor bijvoorbeeld vergaderen, contact onderhouden met ouderen (telecare).  

Met de komst van het internet is onderzoek naar en inzetten van beeldtelefonie niet meer opportuun. Immers, we kunnen elkaar zien via het beeldscherm via applicaties zoals Skype, mits we een webcam hebben. Voor iedereen die een computer, internet en een webcam heeft is beeldbellen opeens binnen handbereik. Daarnaast is beeldbellen via steeds meer mediaspelers mogelijk en ingeburgerd. 

Delen wordt gewaardeerd!

Reader Interactions

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.