Stijlfiguren en beeldspraak met echte voorbeelden per soort
Stijlfiguren en beeldspraak zijn vaste manieren om iets sterker te zeggen. Lees de lijst met echte voorbeelden en wat school vraagt.

‘Dat heb ik je al honderd keer gezegd.’ Wie dat tegen zijn kind roept, overdrijft met opzet. Dat heet een hyperbool. Het is bovendien een van de bekendste stijlfiguren. Toch bestaat er voor het vak Nederlands geen landelijke lijst. Wat er op het centraal examen kan komen, staat in een syllabus. In de syllabus Nederlands van 2027 komt het woord stijlfiguur niet eens voor. Die syllabus komt van het College voor Toetsen en Examens. Dat regelt voor de overheid de centrale examens. Voor Latijn en Grieks bestaat wel een algemene lijst. Daarin telden wij 23 stijlfiguren. Meer over taal en school staat in het kennisgebied Maatschappelijk.
Wat is een stijlfiguur?
Een stijlfiguur is een kunstgreep in taal waarmee je een tekst mooier of krachtiger maakt dan de gewone manier van zeggen. Zo beschrijft het Algemeen letterkundig lexicon het begrip. Dat naslagwerk legt termen uit de literatuur uit. Het staat in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, de DBNL.
Stijlfiguren staan niet alleen in gedichten. Volgens het lexicon komen ze ook voor in toespraken en ‘in het dagelijks taalgebruik’. Je gebruikt ze dus elke dag, meestal zonder het te merken.
Het lexicon noemt drie groepen die veel gebruikt worden: figuren van klank, van woorden en zinsbouw, en van inhoud. Voor een toets is het handiger om te kijken naar wat je doet. Je gebruikt een beeld, je herhaalt iets, je zet twee dingen tegenover elkaar, of je maakt iets groter of kleiner. Die vier groepen hebben wij zelf gemaakt.
Wat is het verschil tussen stijlfiguren en beeldspraak?
Beeldspraak is figuurlijk taalgebruik: je zegt iets met een beeld, en een woord krijgt een andere betekenis dan in het woordenboek. Bij de andere stijlfiguren houden de woorden hun gewone betekenis. Dat verschil maakt het Algemeen letterkundig lexicon.
Een voorbeeld uit dat lexicon: ‘het kind is een engel’. Het kind heeft geen vleugels, dus engel is beeldspraak. Vergelijk dat met de antithese, verderop in de derde tabel. Daar betekent elk woord juist wat het altijd betekent.
Toch is de grens niet scherp. Het lexicon schrijft dat beeldspraak ‘vaak’ bij de stijlfiguren wordt gerekend. Hoe de namen in de praktijk worden gebruikt, noemt het zelfs ‘allesbehalve duidelijk’.
Op een toets volg je dus het best de groepen uit je lesboek. Daarnaast helpt één proef. Krijgt een woord een andere betekenis dan in het woordenboek? Dan is het beeldspraak. Alleen de vergelijking valt erbuiten. Daar staan namelijk het beeld en wat je bedoelt allebei in de zin. Toch hoort ook de vergelijking volgens het lexicon bij de beeldspraak.
De twee soorten beeldspraak
Beeldspraak wordt vaak in twee soorten verdeeld: de metafoor en de metonymie. Bij een metafoor lijkt het beeld op wat je bedoelt. Bij een metonymie lijkt het er niet op, maar het hoort er wel bij. Het lexicon geeft als voorbeeld ‘Parijs is in oproer’: niet de stad komt in opstand, maar de mensen die er wonen.
Welke stijlfiguren zijn er?
Hieronder staan 21 stijlfiguren in vier groepen. Bij elk staat een voorbeeld dat wij niet zelf hebben bedacht. Bij 16 staat erbij wie het schreef of waar het staat. De oude spelling hebben we laten staan. Verder geeft een schuine streep aan waar een nieuwe regel begint.
Beeldspraak in vijf vormen
In de eerste tabel zie je vijf bekende vormen van beeldspraak, elk met een voorbeeld.
| Stijlfiguur | Wat je doet | Echt voorbeeld |
|---|---|---|
| Vergelijking | Twee dingen verbinden met als of zoals | Nijhoff: ‘Als doods-hoofden stekend op hooge staken, / Zijn de lantarens om het plein gezet.’ |
| Metafoor | Het beeld noemen zonder als | Guido Gezelle: ‘Ik ben een blomme’ |
| Personificatie | Een ding laten doen als een mens | Nijhoff: ‘De bruine meubels denken aan elkaar’ |
| Metonymie | Iets noemen wat erbij hoort | ‘Een Rubens’ voor een schilderij van Rubens |
| Pars pro toto | Een deel noemen voor het geheel | Vondel: ‘onsen kiel’ voor het hele schip |
Herhaling en opbouw
In de tweede tabel staan zeven stijlfiguren die iets herhalen of een reeks maken.
| Stijlfiguur | Wat je doet | Echt voorbeeld |
|---|---|---|
| Alliteratie | Dezelfde beginklank herhalen | Gezelle: ‘De wolken willen weg’ |
| Anafoor | Zinnen met hetzelfde woord beginnen | Van Ostaijen: ‘dag stoel naast de tafel / dag brood op de tafel’ |
| Parallellisme | Dezelfde zinsbouw herhalen | Liedboek voor de kerken: ‘Looft, alle volken, looft den Heer, roemt, alle naties, roemt zijn eer’ |
| Chiasme | De volgorde omkeren | Hooft: ‘Het leven droom en droom het leven’ |
| Climax | Een reeks steeds sterker maken | Rhijnvis Feith: ‘Uren, dagen, maanden, jaren’ |
| Pleonasme | Een eigenschap dubbel zeggen | ‘een ronde cirkel’ |
| Tautologie | Hetzelfde twee keer zeggen | Gossaert: ‘Hij sprak en zeide’ |
Alliteratie is volgens het lexicon rijm van medeklinkers. Een gedicht hoeft niet te rijmen; waarom niet, lees je bij wat poëzie is.
Tegenstelling en dubbele bodem
In de derde tabel staan vijf stijlfiguren waarbij twee dingen botsen, of waarbij je iets anders bedoelt dan je zegt.
| Stijlfiguur | Wat je doet | Echt voorbeeld |
|---|---|---|
| Antithese | Twee tegengestelde dingen naast elkaar zetten | Nijhoff: ‘Daags tusschen boeken, ’s nachts in een café.’ |
| Paradox | Iets zeggen wat onmogelijk lijkt en toch klopt | Multatuli: ‘Ieder ziet hier dat ik geen schrijver ben.’ |
| Oxymoron | Twee woorden verbinden die elkaar tegenspreken | Paul Snoek: ‘een heel oud kind’ |
| Ironie | Spotten door het omgekeerde te zeggen | ‘Je bent een echte Einstein’, tegen iemand die iets doms doet |
| Retorische vraag | Vragen zonder een antwoord te willen | Nijhoff: ‘Is de wereld soms niet een paradijs!’ |
Ironie is de moeilijkste van de vijf. De lezer moet namelijk doorhebben dat je het niet meent. Volgens het lexicon haal je dat uit de situatie, de toon of het gezicht van de spreker. In een berichtje op je telefoon vallen die laatste twee weg.
Overdrijven en verzachten
In de laatste tabel staan vier stijlfiguren die iets groter of kleiner maken dan het is.
| Stijlfiguur | Wat je doet | Echt voorbeeld |
|---|---|---|
| Hyperbool | Sterk overdrijven | De Schoolmeester over een leeuw: ‘Zijn oogen en zijn neus / Zijn grooter dan die van een reus’ |
| Understatement | Iets veel kleiner maken dan het is | Dorrestijn: ‘maar om je vader te verliezen / dat is ook geen pretje hoor’ |
| Litotes | Het tegendeel ontkennen | ‘niet kwaad’ voor bijzonder goed |
| Eufemisme | Iets naars zachter zeggen | ‘De dierenarts heeft onze hond laten inslapen.’ |
Een eufemisme slijt. Zodra iedereen het woord kent, klinkt het weer hard. Daarna komt er een nieuw woord. Het lexicon geeft een rij als voorbeeld: gehandicapten werden minder-validen, toen anders-validen en daarna mensen met een beperking.
Wat moet je kennen voor school en examen?
Voor Nederlands moet je beeldspraak, stijlfiguren of ironie kunnen herkennen. Wat precies, hangt af van je school. Een vaste lijst met namen schrijft de overheid niet voor. Dat volgt uit het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. In dat besluit staat per soort school wat een leerling met taal moet kunnen.
In de tabel staat per niveau wat het besluit vraagt over beeldspraak, stijlfiguren en ironie.
| Niveau | Soort school | Wat je moet kunnen |
|---|---|---|
| 2F | Vmbo en mavo | Beeldspraak herkennen: letterlijk en figuurlijk taalgebruik |
| 3F | Havo | Veelvoorkomende stijlfiguren herkennen |
| 4F | Vwo | Ironie herkennen |
Welke stijlfiguren veel voorkomen, zegt het besluit niet. Ook de syllabus voor het centraal examen heeft geen lijst. Wel kunnen examens volgens die syllabus ‘vragen bevatten over figuurlijk taalgebruik en framing’. Framing is de manier waarop een schrijver een onderwerp neerzet, zodat jij er op een bepaalde manier naar kijkt.
Waar de lijst vandaan komt
De lijst die jij moet leren, komt dus van je docent of uit je lesboek. SLO is het expertisecentrum dat voor de overheid leerplannen ontwikkelt. In september 2026 kwam SLO met een concept voor een nieuw examenprogramma op de havo. Ook daarin staat geen lijst. Het nieuwe programma moet volgens het plan in schooljaar 2029-2030 ingaan.
Wij vinden: wie een toets leert, oefent de namen van de docent het best in echte teksten. Het besluit vraagt namelijk dat je stijlfiguren herkent, niet dat je een lijst opzegt. Bij Latijn en Grieks moet je de namen wel kennen.
Op het vwo moet je bij een boek ook kunnen zien wat er bijzonder is aan de stijl. Hoe je dat opschrijft, lees je bij een boekverslag schrijven.
De Latijnse stijlfiguren voor het gymnasium
Voor Latijn bestaat wel een vaste lijst. Die staat in de syllabus voor het centraal examen van 2027. In de algemene lijst daarvan telden wij 23 stilistische middelen. Zo noemt de syllabus de stijlfiguren. Voor gedichten komen er nog vier bij. In de syllabus voor Grieks staan dezelfde 23. Daarnaast komen er per schrijver nog een paar bij. Het College voor Toetsen en Examens rekent ze tot de termen die ‘bekend worden verondersteld’.
Van die 23 staan er 17 ook in onze tabellen hierboven. Hieronder zie je daarom alleen de zes andere.
| Stijlmiddel | Wat het is | Voorbeeld uit de syllabus |
|---|---|---|
| Asyndeton | Opsomming zonder voegwoord | Multatuli: ‘in het Maleis, Javaans, Soendaas, Alfoers, Boeginees, Battaks’ |
| Polysyndeton | Opsomming met steeds een voegwoord | Vondel: ‘Die zorgt en waakt en slaaft en ploegt en zwoegt en zweet’ |
| Tricolon | Opsomming in drie delen | Plinius: ‘een vrome en heilige en zeer op de goden lijkende keizer’ |
| Sententia | Uitspraak die altijd geldt | ‘Van het concert des levens heeft niemand een program.’ |
| Hypallage | Een bijvoeglijk naamwoord bij het verkeerde woord zetten | Vergilius: ‘de muren van het hoge Rome’ |
| Hyperbaton | Woorden die bij elkaar horen uit elkaar zetten | Vooral te zien in het Latijn zelf |
Bij de hypallage van Vergilius zijn de muren hoog, niet de stad. Een bekend asyndeton is van Julius Caesar: ‘Veni, vidi, vici’, ik kwam, zag, overwon. Zo’n rij zonder voegwoord drukt volgens het lexicon snelheid uit.
Stijlfiguren in een toespraak en in reclame
In de Troonrede van 15 september 2026 vonden wij bij één lezing acht verschillende stijlfiguren. Ook reclame gebruikt ze. De Troonrede is de toespraak die de koning op Prinsjesdag 2026 hield over de plannen van de regering.
In de tabel staat bij elke stijlfiguur het stukje uit de Troonrede waarin wij haar herkenden.
| Stijlfiguur | Uit de Troonrede van 2026 |
|---|---|
| Metafoor | ‘Democratie is geen platte rekensom’ |
| Personificatie | ‘De toekomst wacht niet op achterblijvers.’ |
| Metonymie | ‘meer dan alleen “Den Haag”’ |
| Anafoor | ‘niet alles kan tegelijk. Niet alles is morgen opgelost.’ |
| Antithese | ‘een overheid die niet hindert, maar helpt’ |
| Parallellisme | ‘snel en digitaal waar het kan, persoonlijk waar het moet’ |
| Litotes | ‘dat dit geen origineel voornemen is’ |
| Tricolon | ‘beter, kleiner en goedkoper’ |
Dit is onze eigen lezing. Een ander kan een zin echter anders indelen. Met Den Haag bedoelt de Troonrede niet de stad, maar de rijksoverheid. In dezelfde toespraak staat ook ‘dweilen met de kraan open’. Dat is een vaste uitdrukking. Meer van zulke uitdrukkingen vind je bij onze spreekwoorden en gezegden.
Herhaling op 4 mei
Koning Willem-Alexander liet op 4 mei 2020 horen hoe sterk een anafoor kan zijn. Hij sprak toen op een bijna lege Dam. Vier zinnen na elkaar begonnen met dezelfde twee woorden, zoals ‘Niet meer mogen fietsen’ en ‘Niet meer mogen studeren’. Zo vertelde hij hoe Joodse Nederlanders in de oorlog stap voor stap hun rechten verloren. Je hoort de verboden zich opstapelen.
Een rund met vuurwerk
‘Je bent een rund als je met vuurwerk stunt’ is een metafoor die ook nog rijmt. De leus komt van SIRE, de Stichting Ideële Reclame. Die stichting maakt sinds 1967 campagnes over problemen in de samenleving. Na de campagne van 1991 kon volgens SIRE 94 procent de leus afmaken. Daarvoor was dat 66 procent.
Maar een stijlfiguur bewijst niets. Wie wil overtuigen, heeft ook argumenten nodig. Hoe je die opbouwt, staat bij een betoog schrijven.
Wanneer is een stijlfiguur een stijlfout?
Een stijlfiguur wordt een stijlfout als je haar per ongeluk gebruikt en ze niets toevoegt. Dat gebeurt vooral bij het pleonasme en de tautologie, twee manieren om iets dubbel te zeggen. Taaladvies.net noemt die twee ‘stijlfiguren die vaak als stijlfout aangemerkt worden’. Dat is de website met adviezen over taal van de Taalunie. De Taalunie maakt beleid voor het Nederlands. Volgens de site zelf zijn het geen officiële adviezen van de Taalunie.
In de tabel zie je vijf gevallen waarover Taaladvies.net een oordeel geeft.
| Geval | Voorbeeld | Oordeel |
|---|---|---|
| Pleonasme | ‘rood bloed’ in een gewone mededeling | Overbodig |
| Vaste tautologie | ‘enkel en alleen’ | Ingeburgerd en krachtig |
| Zeugma | ‘Hij nam al het geld mee en de benen.’ | Fout bij een vergissing, goed als grap |
| Letterlijk als versterking | ‘werkte me letterlijk te pletter’ | Geen bezwaar |
| Personificatie in een rapport | ‘Deze nota bespreekt’ | Mag, maar met mate |
In een zeugma doet één woord twee keer dienst, elke keer met een andere betekenis. Nemen hoort hier namelijk bij het geld en bij de benen.
De proef is steeds dezelfde: deed je het met opzet, en merkt de lezer waarom? Het lexicon noemt het pleonasme een stijlfout ‘die bij opzettelijk gebruik tot stijlfiguur kan worden’. In een sollicitatiebrief of een werkstuk is dubbelop bijna nooit opzet. Daar kan het dus meestal weg.
Oefenen met tien zinnen
Met de tien zinnen hieronder test je of je de stijlfiguren uit dit artikel herkent. De zinnen hebben we zelf gemaakt. Kijk pas na de tiende zin bij de antwoorden.
- Zin 1. Mijn tas weegt duizend kilo.
- Zin 2. De wind fluistert door de bomen.
- Zin 3. Hij is zo sterk als een beer.
- Zin 4. Mijn broertje is een wervelwind.
- Zin 5. Dat was niet onaardig van je.
- Zin 6. Lekker weer, zegt Sam, terwijl het giet.
- Zin 7. In de vakantie lees ik graag Annie M.G. Schmidt.
- Zin 8. Wie wil er nou geen vrije dag?
- Zin 9. Opa is vorige week ingeslapen.
- Zin 10. Koude koffie kost karakter.
De antwoorden
- Zin 1 is een hyperbool.
- Zin 2 is een personificatie, want de wind doet wat mensen doen.
- Zin 3 is een vergelijking, want er staat als.
- Zin 4 is een metafoor.
- Zin 5 is een litotes, want niet onaardig betekent heel aardig.
- Zin 6 is ironie, want Sam bedoelt het omgekeerde.
- Zin 7 is een metonymie, want de schrijfster staat voor haar boeken.
- Zin 8 is een retorische vraag.
- Zin 9 is een eufemisme voor doodgaan.
- Zin 10 is een alliteratie.
Had je er acht of meer goed? Pak dan een krant of een toespraak en zoek er zelf drie.
Veelgestelde vragen over stijlfiguren
Wat is een ander woord voor stijlfiguur?
Een ander woord voor stijlfiguur is stijlmiddel of retorische figuur. Het woord troop wordt soms apart gehouden. Het slaat op woorden die van betekenis veranderen, zoals bij beeldspraak.
Wat is het verschil tussen een metafoor en een vergelijking?
Bij een vergelijking staan het beeld en wat je bedoelt allebei in de zin. De woorden als, zoals of gelijk verbinden ze. Bij een metafoor valt dat woord weg. ‘Het kind is zo lief als een engel’ is een vergelijking, en ‘het kind is een engel’ is een metafoor. Dat voorbeeld komt uit het Algemeen letterkundig lexicon van de DBNL.
Wat is het verschil tussen ironie en sarcasme?
Ironie is bedekte, milde spot. Sarcasme is bijtende spot. Zo beschrijft Taaladvies.net het verschil. Dat is de website met adviezen over taal van de Taalunie. Bij ironie wil de spreker niemand kwetsen. Sarcasme is daarentegen scherper en kritischer. De grens is volgens Taaladvies.net ‘deels subjectief’: wat de een mild vindt, vindt de ander bijtend.
Hoe we dit artikel hebben gemaakt
Eerste publicatie op . Onze redactie heeft dit artikel gecontroleerd op feiten, cijfers en bronnen.
Zie je een fout, of mis je iets? Laat het ons weten, dan zoeken we het uit en passen we het artikel aan. Zo werkt onze redactie.
Bronnen
- Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, Algemeen letterkundig lexicon, lemma’s stijlfiguren, retorische figuur, beeldspraak, troop, metafoor, metonymie, ironie, eufemisme, pleonasme en asyndeton. De omschrijvingen, de drie groepen, het onderscheid met beeldspraak, en de voorbeelden in de tabellen, die in de lemma’s van de afzonderlijke stijlfiguren in hetzelfde lexicon staan.
- Taaladvies.net, de adviessite van de Nederlandse Taalunie, Over Taaladvies.net, Pleonasme / tautologie, Ironie / sarcasme / cynisme, Letterlijk, Personificatie en foute samentrekking. Wie de adviezen schrijft en dat het geen officiële adviezen van de Taalunie zijn, wanneer dubbelop een fout is, het zeugma als grap, letterlijk als versterking en het verschil tussen ironie en sarcasme.
- Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, versie die geldt sinds 1 augustus 2022. Wat 2F, 3F en 4F vragen over beeldspraak, stijlfiguren en ironie, en welk niveau bij welke school hoort.
- College voor Toetsen en Examens, Syllabus Nederlands vwo 2027, Syllabus Nederlands havo 2027, Syllabus Latijnse taal en cultuur vwo 2027 en Syllabus Griekse taal en cultuur vwo 2027. Vragen over figuurlijk taalgebruik en framing, de algemene lijst van 23 stilistische middelen met omschrijving en voorbeeld, en de aanvullingen voor poëzie en per schrijver.
- SLO, Definitief conceptexamenprogramma Nederlandse taal en literatuur havo, september 2026. De beoogde invoering in 2029-2030, de omschrijving van framing en stijlfiguren als voorbeeld van een literair middel, zonder lijst.
- Koninklijk Huis, Troonrede 2026 en Toespraak bij de Nationale Herdenking op 4 mei 2020. De acht stukjes in de tabel, wat de Troonrede met Den Haag bedoelt, en de vier zinnen met dezelfde eerste woorden.
- SIRE, Vuurwerk 1991 en Over SIRE. De leus over het rund, de stijging van 66 naar 94 procent en het oprichtingsjaar 1967.
Geschreven door
Team Kennisdomein is de redactie van Kennisdomein. We maken onderwerpen die ingewikkeld lijken begrijpelijk voor iedereen, in gewone taal.
Verder lezen in Maatschappelijk
Betoog schrijven met voorbeeld, opbouw en 20 stellingenEen betoog schrijven doe je om de lezer van je standpunt te overtuigen. Lees de opbouw, een voorbeeld en wat je school ervan vraagt.
Boekverslag schrijven, van basisschool tot eindexamenEen boekverslag schrijven doe je in vier delen: gegevens, verhaal, analyse en oordeel. Lees ook wat je school per niveau verwacht.
Profielwerkstuk maken, de regels en hoe zwaar het meeteltHet profielwerkstuk is het grote werkstuk van je eindexamen. Lees wat de regels zijn, hoe je een vraag kiest en hoe het meetelt.
Spreekbeurt onderwerpen kiezen en waar de leerkracht op letEen spreekbeurt is een korte presentatie voor de klas. Hier staan onderwerpen voor je spreekbeurt en lees je hoe je kiest en oefent.