Inkomstenbelasting en box 1, 2 en 3

Iedereen heeft te maken met de Inkomstenbelasting. Daarbij vallen ook vaak de termen box 1, 2 en 3. Deze termen samengevoegd noemen we ook wel het boxensysteem. Maar wat betekent dit eigenlijk? Heeft iedereen met elke belastingbox te maken, of slechts met één of twee? In deze blog wordt een tipje van de sluier opgelicht. Het systeem van de inkomstenbelasting wordt uitgelegd en de boxen die je er tegenkomt worden beschreven. Handig als je weer eens een belastingaangifte moet doen. Je kunt dan alvast wat makkelijker je belastingschuld voorspellen.

Lees verder na de afbeelding.

Inkomstenbelasting en het box 1, 2 en 3

Wat is de Inkomstenbelasting

Elke man of vrouw die in Nederland geld verdient met werken in loondienst of als zelfstandig ondernemer, valt in de Inkomstenbelasting. Ook kinderen die als ondernemer actief zijn vallen al onder deze belastingheffing. In het jaar 2001 heeft er in ons systeem van Inkomstenbelasting een grote verandering plaatsgevonden. De Wet Inkomstenbelasting uit 1964 werd vervangen door de nieuwe Wet Inkomstenbelasting uit 2001. Tot 2001 werd al het geld dat een belastingplichtige verdiende als één groot bedrag bij elkaar opgeteld. Het inkomensbedrag dat zo ontstond, was gebaseerd op een ‘synthetisch’ inkomensbegrip. Op dit synthetische totaalinkomen werd een complexe belastingheffing losgelaten. Het nieuwe stelsel van 2001 kende méér dan één inkomensbegrip. Er werd een systeem van belastingboxen geïntroduceerd en vanaf dat tijdstip werd gewerkt met het zogeheten ‘analytische’ inkomensbegrip. Hierin vallen drie belastbare inkomens te onderscheiden.

Wat is een belastingbox

Die drie belastbare inkomens zijn onderworpen aan een eigen belastingtarief. Dit gebeurt in de drie belastingboxen die in de Wet Inkomstenbelasting 2001 zijn opgenomen. Ze dragen simpelweg de namen Box 1, Box 2 en Box 3. Elk belastingbox kent zijn eigen type inkomen. Dit kan bijvoorbeeld inkomen zijn dat wordt genoten uit verricht werk of uit de eigen woning. Met deze inkomstenstromen heeft vrijwel iedereen te maken.

Maar er bestaan ook heel andere inkomenscomponenten. Zo zijn er mensen die voor 5% of meer deelnemen in een NV, BV, Coöperatie of Vereniging op coöperatieve grondslag. De inkomsten die hieruit naar hen toevloeien worden in de bijbehorende belastingbox met een tarief belast dat bij die box hoort.

Ook sparen en beleggen is in Nederland erg populair. Om ook de inkomsten die hieruit worden verkregen op een goede manier te belasten, werd voor deze inkomstenstromen een eigen belastingbox ontworpen.

Wat zit er in box 1

De bekendste box is box 1. Met deze box heeft vrijwel iedereen in Nederland te maken, want de inkomsten die je uit werk geniet zijn in deze box ondergebracht. Ook vallen de inkomsten die je uit een eigen woning geniet in deze belastingbox. Het gaat dan om de eigen woning die voor jou als hoofdverblijf dient. Dat je uit zo’n eigen woning inkomsten geniet, komt doordat het genot van wonen in een eigen huis een bepaalde waarde heeft. Een flink deel van de Nederlandse bevolking heeft dus ook vanwege de eigen woning met box 1 te maken. Is die eigen woning met een hypotheeklening gefinancierd, dan mogen de eigenwoningbezitters in deze box hun hypotheekrente aftrekken.

Wat zit er in box 2

In box 2 zit een heel ander type inkomen. Wanneer mensen aandelen of winstbewijzen kopen, zijn ze hun geld aan het beleggen. De inkomsten die ze hieruit genieten vallen meestal als beleggingsinkomsten in box 3. Maar het kan ook zo zijn dat mensen met de aanschaf van die aandelen of winstbewijzen voor meer dan 5% gerechtigd worden in een NV, BV, Coöperatie of Vereniging op coöperatieve grondslag. Ook kan er voor meer dan 5% worden deelgenomen in een bepaald type beleggingsfonds of kan er de optie bestaan om zich voor 5% of meer in te kopen in een vennootschap. In al deze 5%-gevallen wordt gesproken over het bezit van een aanmerkelijk belang. Alle inkomsten die daarmee samenhangen vallen in box 2 en worden daar belast tegen het box 2-tarief.

Welke inkomsten horen thuis in box 3

We noemden het net al even, in box 3 vallen alle inkomsten uit sparen en beleggen. Sparen doen we gewoonlijk op een spaarrekening en beleggen kan op diverse andere manieren worden gedaan. Zo kan geld worden ingelegd op een beleggingsrekening of geld gestopt worden in een aandelenfonds. Ook kunnen er natuurlijk rechtstreeks aandelen in een bedrijf worden gekocht of certificaten van leningen die aan het bedrijf zijn verschaft. Die laatste kennen we onder de naam obligaties. Ook box 3 kent een eigen tariefsysteem. Oorspronkelijk was het tarief in deze belastingbox eenvoudig te berekenen. Er werd vanuit gegaan dat iedereen over zijn spaargelden en beleggingsgelden een rendement behaalde van 4%. Over dit fictieve rendement vond dan een belastingheffing plaats van 30%. Aangezien al jarenlang het werkelijke rendement voor veel mensen flink lager uitkwam dan 4%, vond men dit oneerlijk. Er werd door belangenorganisaties stevig over geprocedeerd, met als gevolg dat er in 2017 en 2018 flink aan de regeling is gesleuteld.

Hoe werkt het tarief in box 1

Box 1 kent een zogenaamd schijventarief. Dit betekent dat niet het gehele bedrag aan inkomsten tegen eenzelfde tarief wordt belast. Hoe hoger het persoonlijk inkomen in box 1 is, hoe zwaarder het bovenste gedeelte van dit inkomen wordt belast. In 2020 is voor werkende mensen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt het schijventarief van box 1 vergaand vereenvoudigd. Bestonden er tot nog toe 4 belastingschijven, met ingang van 2020 is dit aantal teruggeschroefd naar slechts 2. Dit betekent dat iedereen die tot € 68.508 per jaar aan box 1-inkomsten geniet hierover 37,35% belasting betaalt. Verdien je meer, dan betaal je alleen over dit meerdere 49,50% procent belasting.

Welk tarief betaal je in box 2

Het tarief dat over inkomsten in box 2 wordt geheven is verreweg het eenvoudigste tarief. Wél gaat het in 2020 een stukje omhoog. Nadat het tarief over inkomsten uit aanmerkelijk belang jarenlang 25% bedroeg, stijgt dit tarief in 2020 naar 26,25%. Het tarief in box 2 valt met slechts 1 percentage dus eenvoudig te berekenen. Maar in deze box is het bedrag dat werkelijk aan inkomsten uit aanmerkelijk belang wordt genoten, nogal eens een strijdpunt tussen belastingplichtige en fiscus. Zo is de heffing in box 2 dus lang niet altijd eenvoudig vast te stellen.

Hoe worden in box 3 de inkomsten uit sparen en beleggen behandeld

Op het eerste gezicht lijkt ook de heffing in box 3 gemakkelijk te berekenen. De belastingdienst meldt slechts dat over de inkomsten uit sparen en beleggen 30% belasting wordt betaald. Voor iedereen geldt dat de eerste € 30.846 aan gespaarde of belegde gelden zijn vrijgesteld. Aan dit spaarbedrag wordt dus geen belastbaar rendement toegekend.

Heb je meer gespaard en/of belegd, dan wordt het een stukje ingewikkelder. Nu moet namelijk het bedrag aan inkomsten uit sparen en beleggen worden berekend. Dit gaat gepaard met een groot aantal ficties die de belastingdienst hanteert. Grof gesteld komen die erop neer dat hoe meer geld iemand in sparen en/of beleggen steekt, hoe sterker wordt aangenomen dat hij of zij het grootste deel van dit geld in beleggen heeft gestoken. Daarbij wordt tevens verondersteld dat beleggen altijd een hoger rendement oplevert dan sparen.

Om die reden wordt de 30% belasting geheven over een hoger fictief rendement. In cijfers gebeurt er het volgende: Op het bedrag aan vermogen tussen de vrijgestelde € 30.846 en € 72.797 drukt per saldo 0,54% belasting. Op het bedrag aan vermogen tussen de € 72.797 en € 1.005.572 drukt 1,26% belasting. Tot slot drukt op het bedrag aan vermogen dat boven de € 1.005.572 ligt 1,58% belasting. Was voorheen box 1 het meest berucht vanwege het (zeer) uitgebreide schijventarief dat in die box werd gehanteerd. Met ingang van 2020 is het schijventarief van box 3 uitgebreider dan dat van box 1.

Lees meer over box 1, box 2 en box 3 op de website van de belastingdienst.

Delen wordt gewaardeerd!

Reader Interactions

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.