Naar de inhoud

Uitleg over hoe iets werkt, in gewone taal.

Maatschappelijk

De of het? Twee vaste regels en de vuistregels

Kies je de of het? Twee regels gaan altijd op: een verkleinwoord krijgt het, een meervoud de. De rest zijn vuistregels.

Gepubliceerd op 15 minuten lezen
Vrouw sorteert aan de keukentafel blanco kaartjes in twee kleuren naast een opengeslagen schrift

Ongeveer 75 procent van de zelfstandige naamwoorden krijgt de en ongeveer 25 procent het. Dat staat in de Algemene Nederlandse Spraakkunst, kortweg de ANS. Dat is de grote grammatica van het Nederlands, geschreven door taalkundigen uit Nederland en België. Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, een dier of een ding, zoals bakker, hond of huis. De en het zijn lidwoorden: de woordjes die voor zo’n woord staan. Vaak lees je dat er voor het lidwoord geen regels zijn. Dat is te somber. Naast de twee vaste regels zijn er vuistregels voor groepen woorden, al hebben die uitzonderingen. Meer over taal en samenleving lees je in onze artikelen over maatschappelijke onderwerpen.

De twee regels die altijd opgaan

Elk verkleinwoord krijgt het en elk meervoud krijgt de. Bij die twee soorten woorden hoef je nooit te twijfelen.

Met een verkleinwoord maak je iets klein. Je herkent het aan -je of -tje aan het eind. Het is de tafel, maar het tafeltje. Volgens de ANS gaat deze regel altijd voor op de vuistregels verderop. Een woord dat het krijgt, noemen we een het-woord. Een woord dat de krijgt, is een de-woord.

In het meervoud krijgt elk woord de. Het is het huis, maar de huizen. Dat geldt ook voor een verkleinwoord: het tafeltje, de tafeltjes.

Een samenstelling volgt het laatste woord

Bij een samenstelling bepaalt het laatste deel het lidwoord. Een samenstelling is een woord dat uit twee woorden bestaat, zoals huissleutel. Het huis en de sleutel geven samen de huissleutel. De tuin en het hek geven het tuinhek.

Deze regel gaat volgens de ANS meestal voor op de vuistregels hieronder. Daarom zijn sommige woorden voor personen toch het-woorden. Het is het Kamerlid, het staatshoofd en het slachtoffer, want het is ook het lid, het hoofd en het offer.

De regel voor samenstellingen gaat bijna altijd op, maar de ANS noemt een tiental losse uitzonderingen. Zo is het de blik, maar het ogenblik. Het is de stip, maar het tijdstip. En het is de kant, maar het vierkant.

Vuistregels voor het-woorden

Buiten die vaste regels zijn er groepen woorden die bijna altijd het krijgen. Sommige herken je aan de betekenis, andere aan de vorm van het woord.

Het-woorden die je herkent aan de betekenis

In de tabel hieronder staan de groepen woorden die door hun betekenis het krijgen, met een paar voorbeelden per groep.

GroepVoorbeelden
Talenhet Nederlands, het Engels, het Fries
Metalenhet goud, het zilver, het ijzer
Windstrekenhet noorden, het zuiden, het zuidwesten
Sporten en spellenhet voetbal, het hockey, het tennis
Bron: Algemene Nederlandse Spraakkunst. Voorbeelden nagekeken in de Woordenlijst Nederlandse Taal.

Let op bij een woord als voetbal. Het voetbal is de sport, de voetbal is de bal waar je tegen trapt.

Het-woorden die je herkent aan de vorm

Ook het begin of het eind van een woord kan het lidwoord verraden. De tabel laat zien welke vormen bij het horen en welke uitzonderingen de ANS noemt.

Vorm van het woordVoorbeeldenUitzonderingen
Eindigt op -ismehet toerisme, het optimismegeen genoemd
Eindigt op -menthet document, het momentgeen genoemd
Eindigt op -selhet voedsel, het kapselhet of de deksel, de mossel, de oksel
Eindigt op -umhet museum, het centrumde datum, de petroleum
Begint met be-, ge-, ont- of ver- en komt van een werkwoordhet begin, het ontslagde verkoop, de verhuur
Begint met ge- en eindigt op -tehet gebergtede gemeente, de gedachte, de geboorte
Is een werkwoord dat je als ding gebruikthet eten, het schrijvengeen genoemd
Bron: Algemene Nederlandse Spraakkunst. Voorbeelden nagekeken in de Woordenlijst Nederlandse Taal.

Vuistregels voor de-woorden

Voor de-woorden zijn de vuistregels minder vast dan voor het-woorden. De ANS schrijft bij deze groepen dat ze meestal de krijgen, en dus niet altijd.

De-woorden die je herkent aan de betekenis

De tabel hieronder geeft de groepen die door hun betekenis meestal de krijgen, met de uitzonderingen die je het vaakst tegenkomt.

GroepVoorbeeldenUitzonderingen
Personende vader, de moeder, de bakkerhet kind, het meisje
Dierende hond, de kathet paard, het schaap, het varken
Bomen, bloemen en vruchtende eik, de roos, de appelgeen genoemd
Seizoenende lente, de zomer, de herfst, de winterhet voorjaar, het najaar
Bron: Algemene Nederlandse Spraakkunst. Voorbeelden nagekeken in de Woordenlijst Nederlandse Taal, waar ook het voorjaar en het najaar uit komen.

Bij vee zit er een patroon in de uitzonderingen, schrijft de ANS. Het dier in het algemeen en het jong zijn meestal het-woorden: het rund en het kalf. Voor het volwassen mannetje en vrouwtje bestaan aparte de-woorden: de stier en de koe.

De-woorden die je herkent aan de uitgang

Een uitgang is het laatste deel van een woord. In de tabel staan de uitgangen die meestal bij de horen, met een uitzondering als die er is.

UitgangVoorbeeldenUitzonderingen
-heidde vrijheid, de waarheidgeen genoemd
-ingde regering, de rekeninggeen genoemd
-iede politie, de vakantiegeen genoemd
-teitde kwaliteit, de universiteitgeen genoemd
-ijde bakkerij, de maatschappijhet of de schilderij
-nisde kennis, de geschiedenishet of de vuilnis
-de of -tede liefde, de lengtehet gebergte
-tuurde natuur, de cultuurhet avontuur
-agede garage, de bagagehet percentage
Bron: Algemene Nederlandse Spraakkunst. Voorbeelden nagekeken in de Woordenlijst Nederlandse Taal, waar ook de uitzondering bij -ij uit komt.

Waar de vuistregels te streng worden verteld

Op uitlegsites staan vuistregels geregeld als harde regels. Bij drie groepen gaat dat mis.

Woorden op -schap zijn niet altijd de-woorden. Volgens de ANS krijgt een toestand de, zoals de vriendschap. Een functie krijgt het, zoals het kampioenschap en het vaderschap. Daarnaast zijn er losse gevallen: de wetenschap tegenover het landschap en het gereedschap.

Woorden op -st krijgen alleen de als ze van een werkwoord komen. Het is de winst van winnen en de komst van komen. Het feest, het nest en het orkest vallen daarbuiten.

Ook stofnamen zijn niet vanzelf het-woorden. Een stofnaam is een woord voor een materiaal of voor iets wat je niet per stuk telt. Het is het hout, het papier en het water. Maar het is ook de wol, de melk, de wijn en de koffie. De ANS zegt het kort: stofnamen kunnen de-woorden en het-woorden zijn. De metalen uit de eerste tabel zijn wel een vaste groep het-woorden. Zoek een ander materiaal dus op als je twijfelt.

Reken niet alleen op de vuistregels

De vuistregels dekken maar een klein gedeelte van de zelfstandige naamwoorden, schrijft de ANS zelf. Je schrijft een mail en blijft hangen bij één woordje. Vaak is dat een woord waar geen regel voor bestaat. Dat het het boek is en de auto, moet je gewoon weten.

Ons advies is daarom: leer een nieuw woord meteen met zijn lidwoord erbij, zoals je dat bij Duits of Frans ook doet. De vuistregels helpen daarbij, maar ze vervangen het niet. Dat is een verschil met de werkwoordspelling met d of t. Daar kom je met de regels altijd uit.

Als je moet gokken

Moet je toch gokken, kies dan de. In een woordenboek zit je dan bij ongeveer drie van de vier woorden goed. In een gewone tekst valt dat lager uit. Daar staan ongeveer twee de-woorden tegenover elk het-woord, en dan klopt je gok ongeveer twee van de drie keer.

De verhouding van twee op één komt uit een artikel van de taalkundigen Leonie Cornips en Aafke Hulk. Het verscheen in 2008 in het wetenschappelijke tijdschrift Second Language Research. Ze halen er onderzoek uit 1996 voor aan. Cornips schreef het artikel bij het Meertens Instituut, dat taal en cultuur in Nederland onderzoekt.

Woorden met de en het

Sommige woorden kunnen de en het krijgen. Bij de ene groep verandert dan de betekenis, bij de andere mag je kiezen. Je typt een bericht aan je verhuurder over het aanrecht. Of was het de aanrecht? Allebei mag.

Hetzelfde woord met een andere betekenis

De ANS somt 77 woorden op die met de iets anders betekenen dan met het, en zegt erbij dat die lijst niet volledig is. In de tabel hieronder staan er zes die je vaak tegenkomt.

Met deMet het
de pad: het dierhet pad: de weg
de bal: om mee te spelenhet bal: het dansfeest
de bos: een bundel bloemenhet bos: met bomen
de jacht: het jagenhet jacht: de boot
de portier: de persoon bij de deurhet portier: de deur van een auto
de stof: het materiaalhet stof: wat opwaait
Bron: Algemene Nederlandse Spraakkunst en Woordenlijst Nederlandse Taal.

Bij edelstenen zit er een patroon in. Het materiaal krijgt vaak het en de losse steen de. Het is het diamant als je het materiaal bedoelt, maar de diamant in een ring.

Dezelfde betekenis met twee lidwoorden

Bij andere woorden maakt het lidwoord niets uit. Dat zie je in de Woordenlijst Nederlandse Taal, de spellinglijst van de Taalunie, ook bekend als het Groene Boekje. De Taalunie maakt beleid voor het Nederlands in Nederland, Vlaanderen en Suriname.

Die lijst geeft de en het bij onder meer aanrecht, matras, deksel, filter, kaft, gordijn, risico en kauwgom. Kies één vorm en houd die in je hele tekst aan.

Engelse woorden en afkortingen

De meeste Engelse leenwoorden krijgen de: de computer, de laptop, de podcast. Een leenwoord is een woord dat uit een andere taal is overgenomen. Dat de meeste de krijgen, schrijft Taaladvies, de adviesdienst van de Taalunie.

Een deel krijgt toch het. Soms komt dat door de betekenis. Sporten en materialen zijn meestal het-woorden, schrijft Taaladvies. Dat geldt ook voor leenwoorden: het hockey, het denim, het plastic. Soms lijkt het woord op een Nederlands het-woord. Het is het copyright door het recht, het penthouse door het huis en het teamwork door het werk.

Bij woorden als het frame en het platform is er geen duidelijke reden. En bij veel leenwoorden komen beide lidwoorden voor, zoals bij account en modem.

Een afkorting krijgt het lidwoord van het woord waar ze voor staat. De KB is de Koninklijke Bibliotheek, het KB is een koninklijk besluit. Dat voorbeeld komt uit de ANS.

Wat er aan de of het vastzit

Het lidwoord beslist over meer dan dat ene woordje. Vijf andere keuzes volgen eruit. In de tabel zie je welke vorm bij een de-woord hoort en welke bij een het-woord.

Wat je kiestBij een de-woordBij een het-woord
Aanwijzen dichtbijdeze stoeldit huis
Aanwijzen verder wegdie stoeldat huis
Terugverwijzende stoel die daar staathet huis dat daar staat
Na het woord eeneen mooie stoeleen mooi huis
Met ons of onzeonze stoelons huis
Bron: Taaladvies.net van de Taalunie en Algemene Nederlandse Spraakkunst.

In het meervoud is het altijd deze en die: deze huizen, die huizen. Twijfel je in het enkelvoud tussen die en dat, dan helpt een van onze ezelsbruggetjes in de Nederlandse taal. Zet het lidwoord voor het woord waar je naar verwijst: de stoel die, het huis dat.

Wie het verkeerde lidwoord kiest, maakt dus snel meer dan één fout. Daarom staan de of het en die of dat ook in ons overzicht van veelgemaakte taalfouten.

Een mooi huis en het mooie huis

De vorm zonder -e is de lastigste van de vijf. Een bijvoeglijk naamwoord is een woord dat zegt hoe iets is, zoals mooi. Voor een het-woord in het enkelvoud valt de -e soms weg. Dat gebeurt als er een, elk, ieder, veel of zo’n voor staat, of helemaal niets. Dat rijtje geeft Taaladvies. De ANS noemt er meer, zoals geen en welk. Het is dus een mooi huis en geen mooi huis, maar het mooie huis en mooie huizen.

Waarom het Nederlands de en het heeft

Het Nederlands kent drie woordgeslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Een woordgeslacht is de groep waarin de grammatica een zelfstandig naamwoord indeelt. Mannelijke en vrouwelijke woorden krijgen allebei de, alleen onzijdige woorden krijgen het. Het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk verdwijnt al minstens sinds de zeventiende eeuw, schrijft Taaladvies.

In Nederland voelen de meeste mensen dat verschil niet meer aan. In België en in delen van Nederland leeft het nog, vooral in de dialecten. Je hoort het bij een woord als kaars. Veel Nederlanders zeggen dat ze hem uitblazen. In België en die delen van Nederland is het ze of haar.

De komt van die en het verving dat

De komt van het aanwijswoord die. Een aanwijswoord is een woord waarmee je iets aanwijst, zoals die en dat. Zonder klemtoon klonk die korter, en zo ontstond de. Het oude onzijdige lidwoord was dat, net als het Duitse das. In de spreektaal bleef daar alleen een t van over: dat kint werd tkint. Het woord het bestond toen al, maar niet als lidwoord. Je kent het uit een zin als het regent, en ook daar klonk het vaak als een t. Schrijvers zagen de t van het lidwoord aan voor dat woord. Zo kwam het als lidwoord op papier.

Dat staat in het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands. Het beschrijft waar woorden vandaan komen en verscheen tussen 2003 en 2009. De schrijvers noemen het als lidwoord typisch Nederlands. Zo zie je ook waarom die bij de hoort en dat bij het. Hoe de taal verder groeide, lees je in ons artikel over waar de Nederlandse taal vandaan komt.

Waarom kinderen zo lang de huis zeggen

Kinderen horen de veruit het meest in de taal om hen heen, schrijven Cornips en Hulk. Ook wie met Nederlands opgroeit, doet er jaren over om het te leren. Tot hun zesde hebben kinderen grote moeite met het. Ze zeggen heel vaak de bij een het-woord. De fout andersom, het bij een de-woord, maken ze zelden. In het Duits, Frans en Spaans leren kinderen het woordgeslacht niet zo laat.

Wat proeven met plaatjes laten zien

De tabel laat zien hoe vaak kinderen in proeven met plaatjes de zeiden bij een het-woord. In de middelste kolom staan kinderen die alleen met Nederlands opgroeien. In de rechterkolom staan tweetalige kinderen uit migrantengezinnen. Hun ouders of grootouders leerden Nederlands pas als volwassene.

LeeftijdAlleen NederlandsKinderen uit migrantengezinnen
3 jaar19 van 21 keer (90%)32 van 42 keer (76%)
5 jaar5 van 32 keer (16%)15 van 22 keer (68%)
5 tot 8 jaar, ander onderzoek175 van 323 keer (54%)164 van 175 keer (94%)
9 en 10 jaar1 van 10 keer (10%)17 van 30 keer (57%)
Bron: Cornips en Hulk, Second Language Research, 2008, met cijfers uit onderzoek van Hulk en Cornips en van Blom en anderen, beide uit 2006.

De uitkomsten lopen uiteen. Het ene onderzoek vond bij vijfjarigen weinig fouten, het andere bij kinderen van 5 tot 8 jaar nog ruim de helft. De aantallen zijn meestal klein, dus lees de percentages als richting. Wel blijven de kinderen uit migrantengezinnen duidelijk langer de zeggen.

Tweetalig opgroeien hoeft op zichzelf geen achterstand te geven, schrijven de onderzoekers. Kinderen die met een dialect en Nederlands opgroeien, gingen gelijk op met eentalige kinderen. Wel telt mee hoeveel Nederlands een kind hoort. Of volwassenen die Nederlands leren dezelfde weg afleggen, staat niet in dat artikel.

Zo zoek je een twijfelgeval op

Kom je er met de regels niet uit, zoek het woord dan op in de Woordenlijst Nederlandse Taal. Die staat online op woordenlijst.org. Achter het woord staat een letter voor het woordgeslacht. De m is mannelijk, de v vrouwelijk en de o onzijdig. Bij m, v of m/v is het de. Staat er o, dan is het het. Zie je de o naast een m of v, zoals bij m/o of m/v/o, dan mag je kiezen. Een woord met twee betekenissen, zoals bal, staat er twee keer in, elk met een eigen letter.

Veelgestelde vragen over de of het

Is het de of het haar?

Het kan allebei, maar er is een verschil. Het haar is al het haar op je hoofd: het haar zit goed. Eén losse haar mag de haar of het haar zijn. Zo staat het in de Woordenlijst Nederlandse Taal, de spellinglijst van de Taalunie.

Waarom is het het meisje?

Meisje is van oorsprong een verkleinwoord van meid. Dat staat in het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands. Elk verkleinwoord is een het-woord, dus het lidwoord zegt niets over de persoon. De Algemene Nederlandse Spraakkunst is de grote grammatica van het Nederlands. Ze noemt dit het verschil tussen het geslacht van een woord en dat van een mens of dier.

Is het het meisje die of het meisje dat?

Het is het meisje dat. Naar een het-woord verwijs je met dat, ook als het woord een persoon aanduidt. Dat schrijft Taaladvies, de adviesdienst van de Taalunie. Over haar spullen zeg je wel gewoon haar: het meisje en haar fiets.

Deel dit artikel

Hoe we dit artikel hebben gemaakt

Eerste publicatie op . Onze redactie heeft dit artikel gecontroleerd op feiten, cijfers en bronnen.

Zie je een fout, of mis je iets? Laat het ons weten, dan zoeken we het uit en passen we het artikel aan. Zo werkt onze redactie.

Bronnen

Team Kennisdomein

Geschreven door

Team Kennisdomein

Team Kennisdomein is de redactie van Kennisdomein. We maken onderwerpen die ingewikkeld lijken begrijpelijk voor iedereen, in gewone taal.

Schrijft over Maatschappelijk, Ondernemen, Wereld en Producten.

Verder lezen in Maatschappelijk

Alle artikelen in Maatschappelijk