Naar de inhoud

Uitleg over hoe iets werkt, in gewone taal.

Maatschappelijk

Handige ezelsbruggetjes in de Nederlandse taal

Twijfel je tussen d en t of tussen jou en jouw? Met deze ezelsbruggetjes voor de Nederlandse taal onthoud je het in één keer.

Bijgewerkt op 12 minuten lezen
Maand van de Nederlandse taal deel 7

Het ezelsbruggetje dat iedereen kent is ‘t kofschip: zes klanken, t, k, f, s, ch en p, die bepalen of een voltooid deelwoord op een t eindigt. Zo legt het Genootschap Onze Taal het uit, de vereniging die al sinds 1931 taaladvies geeft. Maar er is een trucje dat korter is en vaker klopt: maak er een verleden tijd van. Op deze pagina zetten we de bruggetjes op een rij die het vaakst helpen. Je hoeft de taalregel dan niet te kennen om het toch goed te doen. Vergeet je het bruggetje weer, dan zoek je het hier gewoon opnieuw op. We behandelen de d en de t, jou en jouw, u en uw, die en dat, en hun en hen.

(S)jouwen en (D)uwen: jou en u of jouw en uw

Jou en jouw, u en uw worden vaak verwisseld. Dat komt doordat je in de uitspraak haast geen verschil hoort. Toch zijn ze niet moeilijk uit elkaar te houden. Vergelijk deze twee zinnetjes maar eens:

Ze hebben jou gezien. / Ze hebben jouw auto gezien.

Hij zal u bellen. / Hij zal uw zoon bellen.

Zie je het verschil? Achter jouw en uw komt altijd meteen een ding (auto) of een persoon (zoon). Of een dier natuurlijk: jouw hond, uw kat. Staat er zo’n woord achter, dan schrijf je het met een w: jouw en uw.

Er is nog een tweede ezelsbruggetje voor deze taalvraag. Je vervangt u of uw eenvoudig door mij of mijn:

Ze hebben mij (u) gezien. / Ze hebben mijn (uw) auto gezien.

Hij zal mij (u) bellen. / Hij zal mijn (uw) zoon bellen.

Nu hoor je het verschil wel. Past mij in de zin, dan wordt het u of jou. Past mijn, dan wordt het uw of jouw. Taaladvies.net, de adviesdienst van de Taalunie, geeft nog een derde controle: kun je er ‘die auto van jou’ van maken, dan is het jouw.

Even oefenen

  1. Ik ben van plan (u of uw?) paard te kopen.
  2. Zij wil (jou of jouw?) nooit meer zien.
  3. De wereld zal (jou of jouw?) prestaties niet vergeten.
  4. De politie houdt (u of uw?) in de gaten.
  5. En een moeilijke: zeggen (u of uw?) leerlingen je en (jou of jouw?) tegen (u of uw?)

De antwoorden staan onderaan dit artikel.

Ideetjes voor d’tjes en t’tjes

Wat een duiveltjes zijn het, die d’s en t’s in de Nederlandse spelling. Helemaal als ze samenspannen. Toch krijg je ze klein, zeker met een handig ezelsbruggetje.

Oké, wanneer een d, wanneer een t en wanneer dt? Dit probleem doet zich eigenlijk alleen voor bij een werkwoord met een d erin. Dus laden, raden of branden. Zit er geen d in het werkwoord, dan krijg je er ook geen te zien. Meestal althans, maar dat is van later zorg.

Het werkwoord lopen krijgt dus geen d aan het eind:

Ik loop / jij loopt / hij loopt

Nu vervoegen we een werkwoord met een d erin op dezelfde manier. Het werkwoord raden:

Ik raad / jij raadt / hij raadt

En wat is dan het ezelsbruggetje? Twijfel je, vul dan in gedachten het werkwoord lopen in.

Ik brand een kaars / jij brandt een kaars / hij brandt een kaars (ik loop / jij loopt / hij loopt)

Nu jij, met het werkwoord braden: ik … / jij … / hij …

Voltooid deelwoord; d of t aan het eind?

Het volgende ezelsbruggetje gaat over het voltooid deelwoord. Zo’n deelwoord staat meestal samen met hebben, zijn of worden.

Ik heb gekookt. / Ben je omgekeerd? / Het leed wordt gedeeld.

Gekookt is logisch: je spreekt een t uit, dus schrijf je een t. Waarom mag dat dan niet bij omgekeerd en gedeeld? Daarvoor moet je die woorden in de verleden tijd kennen:

Zij kookte elke dag aardappels. / Bij het eindpunt keerde ik om. / Zij deelden al zijn leed.

Sommige werkwoorden krijgen in de verleden tijd een t en andere een d. De taalkundigen die onze spelling bedachten, vonden dat je in het voltooid deelwoord moet kunnen zien welke klank de verleden tijd vormt. Heeft de verleden tijd een d, dan staat die ook in het voltooid deelwoord. Zelfs als je hem als t uitspreekt: voetbalde wordt gevoetbald en begeleidde wordt begeleid.

Moet je zo’n voltooid deelwoord schrijven en twijfel je tussen d en t, maak er dan een verleden tijd van. Zet er simpelweg een -e achter en je taalgevoel doet de rest:

Ik heb een boom omgezaag? > omzaagde > omgezaagd. Hij heeft in zijn broek geplas? > plaste > geplast.

Waarom je het kofschip niet nodig hebt

Onthoud je dit, dan heb je het bekendere en veel lastigere ‘t kofschip niet meer nodig. Dat bruggetje zegt je dat je na de klanken t, k, f, s, ch en p altijd een t in het voltooid deelwoord krijgt. Onze Taal wijst op een valkuil: het gaat om de klank van de stam, niet om de letter die je ziet. Leven eindigt op een v-klank en krijgt daarom leefde en geleefd, ook al staat er een f. Eindigt de stam al op een t, dan valt die tweede t weg: de Nederlandse spelling schrijft nooit twee gelijke medeklinkers aan het eind van een woord. Zo wordt het spotte > gespot en vatte > gevat.

De gebiedende wijs

Een geval apart is de gebiedende wijs, waarmee je een opdracht of advies geeft: Loop naar de maan. Doe dat nou niet. Daar komt nooit een t bij, ook niet bij werkwoorden op een d:

Raad eens wie ik ben. / Houd de dief!

Om te oefenen

Vul een d of een t in op de plaats van het vraagteken:

  1. Ik heb net tien kilometer geroei?.
  2. Hij heeft eindelijk eens de meubels afgestof?.
  3. Wordt dat vlees gekook? of gestoof??
  4. Hun kinderen zijn goed opgevoe? en heel beleef?.
  5. En de moeilijkste: zij was ontsnap? en verdwaal?; ze hebben haar overal gezoch?.

Die of dat? Het ezelsbruggetje

Na deze zware kost nog zin in een licht toetje? Wat is het verschil tussen deze twee zinnen?

  1. Ik zie de auto van een buurmeisje, die in het water terecht is gekomen.
  2. Ik zie de auto van een buurmeisje, dat in het water terecht is gekomen.

Het ezelsbruggetje is het lidwoord. Die slaat op een de-woord, dus in zin 1 ligt de auto in het water. Dat slaat op een het-woord, dus in zin 2 is het meisje te water geraakt. Belangrijk dus dat je ze niet door elkaar haalt, want anders bel je de verkeerde hulpdienst.

Hun of hen en het lijdend voorwerp

Weinig taalvragen worden zo vaak gesteld als deze: is het hun of hen? De regel is jonger dan je denkt. Taalgeleerden bedachten het onderscheid in de zeventiende eeuw, schrijft Taaladvies.net; in de spreektaal heeft het nooit echt bestaan. De schoolregel luidt zo. Hen gebruik je als lijdend voorwerp en na een voorzetsel: ik bedankte hen, ik heb het voor hen gedaan. Hun gebruik je als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel, en als bezittelijk woord: ik gaf hun een kopje koffie, dit is hun huis.

Het ezelsbruggetje van Onze Taal: kun je hun vervangen door mijn of zijn, dan is hun altijd goed. Dit is zijn huis, dus dit is hun huis. Staat er een voorzetsel voor, zoals aan, voor of met, dan is het hen. En twijfel je nog? Taaladvies.net zegt dat je dan het best hen kiest. Onze Taal voegt eraan toe dat ze bijna altijd kan als er geen nadruk op ligt: ik gaf ze een kopje koffie. Hun als onderwerp (hun hebben gelijk) is in geschreven taal fout, hoe vaak je het ook hoort.

Het lijdend voorwerp vinden

Voor hun of hen moet je dus weten wat het lijdend voorwerp is: degene die of datgene wat de handeling ondergaat. Het ezelsbruggetje is een vraag: wie of wat, plus het gezegde, plus het onderwerp? Het gezegde is hier het zinsdeel met de werkwoorden, en geen vaste uitdrukking zoals bij spreekwoorden en gezegden. Ik kocht een nieuwe fiets. Wat kocht ik? Een nieuwe fiets, en dat is het lijdend voorwerp.

Onze Taal geeft er een tweede controle bij: maak de zin lijdend. Het lijdend voorwerp wordt dan het onderwerp: een nieuwe fiets wordt gekocht. Het meewerkend voorwerp vind je met de vraag aan wie of voor wie: ik gaf hun koffie, aan wie gaf ik koffie? Kun je er in gedachten aan voor zetten en staat dat woord er niet, dan is het een meewerkend voorwerp en schrijf je hun.

Bekende ezelsbruggetjes op een rij

Veel twijfelgevallen los je op met hetzelfde trucje: verleng het woord en luister wat je hoort. Ze staan ook op onze lijst met veelgemaakte taalfouten in het Nederlands. De tabel geeft per twijfelgeval het bruggetje.

TwijfelgevalEzelsbruggetje
ligt of lichtKun je er liggen van maken, dan is het ligt. Anders is het licht.
wand of wantMeervoud: wanden zijn muren, wanten zijn handschoenen.
houd of houtVerleng het woord: houden wordt houd, houten wordt hout.
pijl of peilPeil hoort bij peilen en waterpeil. Pijl hoort bij pijl-en-boog.
jou of jouwPast mij, dan is het jou. Past mijn, dan is het jouw.
d, t of dtVul in gedachten het werkwoord lopen in: jij loopt, dus jij raadt.
die of datZet het lidwoord ervoor: de auto die, het meisje dat.
voltooid deelwoordMaak er een verleden tijd van met -e: omzaagde, dus omgezaagd.
hun of henPast mijn of zijn op die plek, dan is het hun. Na aan, voor of met is het hen.
de WaddeneilandenTVTAS: Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog.
links- of rechtsom draaienDROL: Dicht Rechts, Open Links.
zomertijd of wintertijdIn het voorjaar gaat de klok een uur vooruit.
Bron: de taalregels achter de bruggetjes volgen Taaladvies.net en Onze Taal.

Zelf ezelsbruggetjes bedenken

Je kunt taal ook gebruiken om zelf iets te onthouden. Sommige bruggetjes leerden we al op school en zijn we nooit meer vergeten. ‘t Kofschip bijvoorbeeld. Daar bestaan variaties op: ‘t fokschaap in het noorden van Nederland, en soft ketchup of xtc-koffieshop, die ook de x en de c meenemen. Taal gaat immers graag met de tijd mee.

Een goed ezelsbruggetje voldoet aan drie dingen. Het is korter dan de regel zelf, het klinkt gek genoeg om te blijven hangen en het geeft altijd het juiste antwoord. Voldoet je bruggetje aan alle drie, dan vergeet je het niet meer. Een bruggetje dat soms fout gaat, is erger dan geen bruggetje: je vertrouwt erop en controleert niet meer.

Antwoorden

Jou of jouw en u of uw

1. uw. 2. jou. 3. jouw. 4. u. 5. uw, jou, u.

Het werkwoord braden

Ik braad / jij braadt / hij braadt.

Vul een d of een t in

  1. Ik heb net tien kilometer geroeid.
  2. Hij heeft eindelijk eens de meubels afgestoft.
  3. Wordt dat vlees gekookt of gestoofd?
  4. Hun kinderen zijn goed opgevoed en heel beleefd.
  5. Zij was ontsnapt en verdwaald; ze hebben haar overal gezocht.

Meer over de Nederlandse taal

Veelgestelde vragen over ezelsbruggetjes

Wat is het ezelsbruggetje voor jou en jouw?

Vervang jou of jouw door mij of mijn. Past mij in de zin, dan schrijf je jou: ze hebben mij gezien, dus ze hebben jou gezien. Past mijn, dan schrijf je jouw: ze hebben mijn auto gezien, dus ze hebben jouw auto gezien.

Wanneer schrijf je d of t en wanneer dt?

Vul in gedachten het werkwoord lopen in. Zeg je jij loopt, dan schrijf je ook jij raadt. Zeg je ik loop, dan schrijf je ik raad. Het probleem speelt alleen bij werkwoorden met een d in de stam.

Wat betekent het kofschip?

Het is een ezelsbruggetje voor de verleden tijd en het voltooid deelwoord. Eindigt de stam van een werkwoord op de klank t, k, f, s, ch of p, dan krijgt het voltooid deelwoord een t, legt het Genootschap Onze Taal uit. Eenvoudiger is om er een verleden tijd van te maken: omzaagde wordt omgezaagd, plaste wordt geplast.

Wat is het ezelsbruggetje voor hun en hen?

Kun je hun vervangen door mijn of zijn, dan is hun goed: dit is hun huis. Staat er een voorzetsel voor, dan is het hen: voor hen, aan hen, met hen. Twijfel je, kies dan hen of gebruik ze; dat adviseren Taaladvies.net van de Taalunie en het Genootschap Onze Taal allebei.

Hoe onthoud je de Waddeneilanden?

Met TVTAS: Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog. De letters staan in de volgorde van west naar oost, dus je onthoudt meteen ook waar elk eiland ligt.

Deel dit artikel

Hoe we dit artikel hebben gemaakt

Eerste publicatie op , laatst bijgewerkt op . Onze redactie heeft dit artikel gecontroleerd op feiten, cijfers en bronnen.

Zie je een fout, of mis je iets? Laat het ons weten, dan zoeken we het uit en passen we het artikel aan. Zo werkt onze redactie.

Bronnen

  • Taaladvies.net (Nederlandse Taalunie), Jou of jouw. Jou is een persoonlijk voornaamwoord, jouw een bezittelijk; de controle met u en uw en met ‘die auto van jou’.
  • Taaladvies.net (Nederlandse Taalunie), Hen of hun (algemeen). Het onderscheid stamt uit de zeventiende eeuw, hen als lijdend voorwerp en na een voorzetsel, hun als meewerkend voorwerp, en bij twijfel hen.
  • Genootschap Onze Taal, Hun of hen. De vervangingstruc met mijn of zijn en het advies om ze te gebruiken als er geen nadruk op ligt.
  • Genootschap Onze Taal, ’t Kofschip. De zes klanken t, k, f, s, ch en p, de varianten en de valkuil dat de klank telt en niet de letter (leven, leefde).
  • Genootschap Onze Taal, Lijdend voorwerp. De vraag wie of wat plus gezegde plus onderwerp, en de controle met de lijdende vorm.
Team Kennisdomein

Geschreven door

Team Kennisdomein

Team Kennisdomein is de redactie van Kennisdomein. We maken onderwerpen die ingewikkeld lijken begrijpelijk voor iedereen, in gewone taal.

Schrijft over Maatschappelijk, Wereld, Ondernemen en Producten.

Verder lezen in Maatschappelijk

Alle artikelen in Maatschappelijk