fbpx

Handige ezelsbruggetjes in de Nederlandse taal

Het Nederlands is geen gemakkelijke taal, maar voor welke taal geldt dat wel? Ezelsbruggetjes zijn daarom heel handig. Natuurlijk leren we op school spelling en grammatica maar er blijven altijd taalzaken die we lastig vinden. Voor veel van die taalprobleempjes zijn ezelsbruggetjes. Je hoeft dan de taalregel niet echt te kennen om het toch goed te doen. Vaak vergeet je de ezelsbruggetjes ook weer, maar die kun je dan gemakkelijk weer even opzoeken in dit blog. Er zijn nogal wat probleempjes en bijbehorende ezelsbruggetjes en die kunnen we hier niet allemaal behandelen. We beperken ons dan ook tot de belangrijkste problemen. De d en t, jou en jouw, u en uw en die en dat. 

Lees verder na de afbeelding.

Maand van de Nederlandse taal deel 7

(S)jouwen en (D)uwen: jou en u of jouw en uw

Jou/jouw en u/uw worden vaak verwisseld. Dat komt doordat je in de uitspraak haast geen verschil hoort. Toch zijn ze niet zo erg moeilijk uit elkaar te houden. Vergelijk deze twee zinnetjes maar eens:

Ze hebben jou gezien. / Ze hebben jouw auto gezien.

Hij zal u bellen. / Hij zal uw zoon bellen.

Zie je het verschil? Achter ‘jouw’ en ‘uw’ komt altijd meteen een ding (‘auto’) of een persoon (‘zoon’). Of een dier natuurlijk: ‘jouw hond’, ‘uw kat’. Staat er zo’n ding achter u of jou dan schrijf je het dus met een w: jouw en uw. 

Er is nog een tweede ezelsbruggetje voor deze taalvraag. Je zet eenvoudig mij of mijn in de plaats van u of uw:

Ze hebben mij (u) gezien. / Ze hebben mijn (uw) auto gezien.

Hij zal mij (u) bellen. / Hij zal mijn (uw) zoon bellen.

Nu hoor je duidelijk het verschil. Staat er mij in de zin dan wordt het u of jou en staat er mijn in de zin dan wordt het jouw of uw. 

Even oefenen

1. Ik ben van plan (u of uw?) paard te kopen.
2. Zij wil (jou of jouw?) nooit meer zien.
3. De wereld zal (jou of jouw?) prestaties niet vergeten.
4. De politie houdt (u of uw?) in de gaten.

Tot slot een moeilijke:
5. Zeggen (u of uw?) leerlingen ‘je’ en ‘(jou of jouw)’ tegen (u of uw)?

(Antwoorden onderaan dit blog).

Ideetjes voor d’tjes en t’tjes

Wat een duiveltjes en ettertjes zijn het hè, die ‘d’s en ‘t’s in de Nederlandse spelling. Helemaal als ze samenspannen tegen ons. En dat doen ze nogal vaak. Toch kunnen we ze wel klein krijgen, als we willen. Op zich is het allemaal niet zo ingewikkeld, zeker niet als je een handig ezelsbruggetje kunt gebruiken. 

Ok, wanneer een d en wanneer een t en wanneer een dt? Dit probleem doet zich eigenlijk alleen voor als het om een werkwoord gaat met een “d” er in. Dus laden, raden, branden bijvoorbeeld. 

Als er geen “d” in een werkwoord zit, dan krijg je dus ook geen d te zien. Meestal niet tenminste, maar dat is voor later zorg. 

Het werkwoord “lopen” krijgt dus geen d aan het eind:

Ik loop/jij loopt/hij loopt

Nu gaan we een werkwoord met een “d” er in op dezelfde manier vervoegen. Het werkwoord ‘raden’. 

Ik raad/jij raadt/hij raadt

En wat is dan het ezelsbruggetje? Als je twijfelt, vul je in gedachten gewoon even het woord “lopen” in. 

Daar gaan we:

Ik brand een kaars/jij brandt een kaars/hij brandt een kaars

(ik loop/jij loopt/hij loopt)

Nu jij met het werkwoord braden!

Ik … /jij … /hij…

Voltooid deelwoord; d of t aan het eind?

Laten we eens kijken naar het volgende ezelsbruggetje. Dat is het voltooid deelwoord. Alleen die naam al… Een voltooid deelwoord treedt meestal samen op met ‘hebben’ of ‘zijn’ of ‘worden’.

Ik heb gekookt. / Ben je omgekeerd? / Het leed wordt gedeeld.

‘Gekookt’ is logisch: je spreekt een ‘t’ uit, dus schrijf je ook een ‘t’. Waarom mag dat dan niet bij ‘omgekeerd’ en ‘gedeeld’? Daarvoor moeten we die woorden kennen in hun verleden tijd. En daar ben je goed bekend mee:

Zij kookte elke dag aardappels. / Bij het eindpunt keerde ik om. / Zij deelden al zijn leed.

Zie je? Sommige werkwoorden krijgen in de verleden tijd een ‘t’ en andere een ‘d’. De taalkundigen die onze spelling hebben bedacht, vonden dat je in het voltooid deelwoord moest kunnen zien welke klank de verleden tijd vormt. Als de verleden tijd een ‘d’ heeft, moet die ook in het voltooid deelwoord staan. Zelfs als je hem als ‘t’ uitspreekt. 

voetbalde – gevoetbald / begeleidde – begeleid

Als je nou zo’n voltooid deelwoord moet schrijven en je weet niet of het met een ‘d’ of een ‘t’ moet, maak er dan gewoon een verleden tijd van. Simpel door er een ‘-e’ achter te zetten. Je taalgevoel doet de rest:

Ik heb een boom omgezaag? > omzaagde > omgezaagd!

Hij heeft in zijn broek geplas? > plaste > geplast!

Als je dit onthoudt, heb je een bekend ander, veel moeilijker te gebruiken ezelsbruggetje niet meer nodig. Dat is ‘ ’t kofschip’. Het vertelt je dat je achter t, k, f, s, ch en p altijd een ‘t’ in het voltooid deelwoord krijgt. Na een ‘t’ valt die ‘t’ weg, omdat een dubbele letter op het eind van een woord niet mooi wordt gevonden: spotte > gespot, gevatte > gevat.

Een speciaal geval waar je met ‘d’ en ‘t’ de fout kunt ingaan is de zogenaamde ‘gebiedende wijs’. Daarmee geef je een opdracht of een advies: ‘Loop naar de maan!’ ‘Doe dat nou niet.’ Aan de voorbeelden zie je al dat de ‘t’ niet thuis geeft. Lekker simpel dus, ook bij woorden op ‘-d’: 

‘Raad eens wie ik ben.’

‘Houd de dief!’

Om te oefenen

Vul een ‘d’ of een ‘t’ in op de plaats van ? –

1. Ik heb net tien kilometer geroei?.
2. Hij heeft eindelijk eens de meubels afgestof?.
3. Wordt dat vlees gekook? of gestoof? ?
4. Hun kinderen zijn goed opgevoe? en heel beleef?.

En hier de moeilijkste:
5. Zij was ontsnap? en verdwaal?; ze hebben haar overal gezoch?.

DeDie en HetDat

Na deze zware kost nog zin in een (licht) toetje?

Wat is het verschil tussen:

1. Ik zie de auto van een buurmeisje, die in het water terecht is gekomen.
2. Ik zie de auto van een buurmeisje, dat in het water terecht is gekomen.

‘Die’ slaat op een de-woord, dus in zin 1 is het de auto die in de plomp ligt.
‘Dat’ slaat op een het-woord, dus in zin 2 is het het meisje dat te water is geraakt.

Heel belangrijk dus dat je dat je DeDie en HetDat niet door elkaar haalt: dan kun de juiste hulpdienst bellen.

Zelf ezelsbruggetjes bedenken

Je kunt taal ook gebruiken om ezelsbruggetjes te bedenken voor dingen die je graag wilt kunnen onthouden. Sommige ezelsbruggetjes hebben we al op school geleerd, ik tenminste wel en ben die nooit vergeten. ’t Kofschip bijvoorbeeld. Die haalden we hiervoor al even aan. Er zijn ook variaties op: ’t fokschaap (in het noorden van Nederland), soft ketchup en XTC koffieshop. Taal gaat immers ook graag met de tijd mee!

Andere voorbeelden:

  • TVTAS – dé manier om de namen van de Waddeneilanden te onthouden. Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog
  • DROL – Dicht Rechts Open Links. Een handige en grappige manier om te onthouden hoe je iets open of dicht draait
  • Zomertijd en wintertijd: in het Voorjaar gaat de klok een uur Vooruit!

Antwoorden

Jou(w) en u(w)
1. uw  2. jou  3. jouw  4. u  5. uw – jou – u

Nu jij met het werkwoord braden
Ik braad/jij braadt/hij braadt

Vul een ‘d’ of een ‘t’ in op de plaats van ?
1. Ik heb net tien kilometer geroeid.
2. Hij heeft eindelijk eens de meubels afgestoft.
3. Wordt dat vlees gekookt of gestoofd?
4. Hun kinderen zijn goed opgevoed en heel beleefd.
5. Zij was ontsnapt en verdwaald; ze hebben haar overal gezocht.

Andere blogs uit deze reeks

1. Waar komt de Nederlandse taal vandaan?
2. De officiële taalniveaus in Nederland
3. Hoe kundig zijn wij in de Nederlandse taal in 2021
4. Veel gemaakte fouten in de Nederlandse taal
5. De d’s en de t’s, waar komen ze vandaan?
6. Wat zijn koppelwoorden en waarom zou je ze moeten gebruiken?
7. Handige ezelsbruggetjes in de Nederlandse taal
8. Het belang van goede teksten
9. De rol van tekst op social media
10. Waarom SEO belangrijk is
11. Op zoek naar synoniemen
12. Medelanders en het Nederlands

Delen wordt gewaardeerd!

Reader Interactions

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.