Naar de inhoud

Uitleg over hoe iets werkt, in gewone taal.

Maatschappelijk

Straattaal: woorden, betekenis en waar ze vandaan komen

Straattaal is Nederlands met woorden uit het Surinaams, Arabisch en Engels. Lees wat de woorden betekenen en waar ze vandaan komen.

Gepubliceerd op 13 minuten lezen
Vier tieners zitten na school op de trappen van een stadsplein en praten met elkaar, met fietsen ernaast

Je dochter zegt aan tafel dat ze skeer is, en jij weet niet of je moet lachen of je portemonnee moet pakken. Skeer betekent blut. Het woord komt uit het Sranantongo, een taal uit Suriname. Zulke woorden waaien niet over. Taalonderzoekers van het Meertens Instituut legden in 2025 woorden uit de jaren negentig voor aan 573 scholieren. Dat instituut onderzoekt taal en cultuur in Nederland. Het woord doekoe, straattaal voor geld, werd door 90,7 procent herkend. Meer artikelen over taal en samenleving staan in het kennisgebied Maatschappelijk.

Wat is straattaal?

Straattaal is een variant van het Nederlands die jongeren onder elkaar spreken, met woorden uit andere talen erin. Die variant ontstond in de jaren tachtig en negentig, in wijken van de grote steden waar veel culturen samenleven. Dat schreef taalonderzoeker Khalid Mourigh in 2023. Hij werkt bij het Meertens Instituut.

Een aparte taal naast het Nederlands, zoals het Frans, is straattaal niet. Dat stelde taalkundige Leonie Cornips in 2005 op NEMO Kennislink. Dat is de wetenschapssite van museum NEMO. Het blijft dus Nederlands, met eigen woorden, een eigen klank en soms een eigen zinsbouw. Het tijdschrift Onze Taal gaf daar in januari 2026 voorbeelden van. Dat is het blad van de taalvereniging met dezelfde naam. De s klinkt als sj, zoals in sjchool. De z wordt lang, zoals in zzziek. En een zin als ‘Zie je die meisje’ wijkt af van wat je op school leert.

Jongeren kiezen straattaal zoals ze een kapsel of kleding kiezen. Ze laten ermee zien bij welke groep ze horen. Zo werkt het ook bij subculturen in Nederland.

Hoe het woord straattaal ontstond

Het woord straattaal komt van jongeren zelf, en de naam is jonger dan de taal. Op 24 december 1997 schreef de krant Het Parool over de mengtaal van Amsterdamse jongeren. In dat stuk noemden vooral leraren de nadelen ervan. De taal heette toen smurfentaal. Leraren gebruikten dat woord, schreef Cornips later. Ze wilden er namelijk mee zeggen dat leerlingen weinig woorden kenden. Net als de smurfen zouden ze één woord voor alles gebruiken.

De taalkundige René Appel vond smurfentaal een neerbuigend woord. Hij was hoogleraar Nederlands als tweede taal in Amsterdam. In 1999 schreef hij het eerste wetenschappelijke artikel over het onderwerp. Bedacht heeft hij het woord straattaal echter niet. In Onze Taal schreef Appel in 1999 dat hij de jongeren zelf navolgde. Zij noemden hun taal al zo.

Uit welke talen komen straattaalwoorden?

De meeste straattaalwoorden komen uit het Sranantongo, dat ook Surinaams of Sranan heet. Dat bleek al uit het eerste onderzoek. Appel legde een vragenlijst voor aan ruim 130 leerlingen van drie Amsterdamse scholen. Zij noemden samen meer dan 150 verschillende woorden. Ruim de helft kwam uit het Surinaams. Het Engels stond op de tweede plaats, met woorden als chillen en checken. Uit het Arabisch en het Turks kwamen toen nog maar enkele woorden.

Appel noemde twee waarschijnlijke oorzaken voor al dat Surinaams. Surinaamse jongeren liepen vaak voorop in de mode. Ook muziek telde mee, zoals hiphop en reggae. En veel Surinaamse woorden eindigen op een klinker, zoals loesoe en doekoe. Jongeren hebben juist voor zulke woorden een voorkeur, schreef hij.

Ook het Marokkaans drukte zijn stempel op straattaal, vooral op de uitspraak. Onze Taal noemt vijf talen waaruit straattaal put: Sranantongo, Engels, Marokkaans-Arabisch, Papiaments en Tamazight. Met Tamazight bedoelen de schrijvers het Berbers uit de Rif, een gebied in Marokko. Het Turks speelt volgens Mourigh een kleinere rol. Daarnaast zijn er verschillen per stad. Rond Rotterdam hoor je woorden van Kaapverdische herkomst, omdat daar een grote groep Kaapverdianen woont.

Dat een taal woorden leent en verandert, is niet nieuw. Hoe het Nederlands zelf ontstond en steeds nieuwe woorden kreeg, lees je in ons artikel over waar de Nederlandse taal vandaan komt.

Straattaalwoorden met betekenis en herkomst

Van 20 straattaalwoorden zochten we de herkomst op in het Algemeen Nederlands Woordenboek. Dat is het digitale woordenboek van het Instituut voor de Nederlandse Taal. Dat wetenschappelijke instituut bestudeert de Nederlandse taal. Het woordenboek beschrijft het Nederlands van nu dat niet bij één streek of groep hoort. Voor de taal van jongeren maakt het een uitzondering. Die heeft volgens de makers steeds meer invloed op het Nederlands.

In de tabel hieronder staan die 20 woorden met hun betekenis en de taal waar ze uit komen. De laatste kolom geeft de oudste vindplaats die het woordenboek noemt. Het noemt dat zelf de vroegste datering. Grove scheldwoorden lieten we weg.

WoordBetekenisKomt uitOudste vindplaats in het woordenboek
smameisjeSranantongo1994
fawakahoe gaat het?Sranantongojaren negentig
doekoegeldSranantongo1999
ossohuisSranantongo1999
pokoeliedjeSranantongo1999
fittiegevecht, ruzieSranantongo2001
bradabroerSranantongo2001
fissafeestjeSranantongo2005
skeerblutSranantongo2006
niffoneefSranantongo2006
swavriendPapiaments2000
tantoeheel, ergPapiaments2005
wollahik zweer hetArabisch2000
drerrievriend, jongenBerbers of Marokkaans-Arabisch2004
ewahé, hoiMarokkaans-Arabisch2005
kifeshhoe?, wat is er?Marokkaans-Arabisch2007
brovriend, maatEngels1999
beefruzieEngels2004
swagstoere houdingAmerikaans-Engels2009
litleuk, geweldigEngels2016
Bron: Instituut voor de Nederlandse Taal, Algemeen Nederlands Woordenboek, geraadpleegd op 4 oktober 2026

Wat de jaartallen wel en niet zeggen

De jaartallen zeggen hoe ver het woordenboek een woord kan terugvinden. Wanneer jongeren het gingen gebruiken, zeggen ze niet. Gesproken werden de woorden vaak al eerder. Fittie staat in het woordenboek op 2001. Maar Appel tekende het in 1999 al op bij Amsterdamse leerlingen.

Een volgorde van talen lees je er dus niet uit af. Het zijn bovendien maar 20 woorden, die wij zelf kozen. Wel zie je dat de woorden niet van gisteren zijn. Volgens onze telling hebben 19 van de 20 een vindplaats uit 2009 of eerder. Doekoe staat al minstens 27 jaar op papier, net als het Engelse bro. Alleen het Engelse lit is jonger, uit 2016.

Het woordenboek geeft meer dan een jaartal. Achter sommige woorden zit een verhaal. Swa betekent in het Papiaments zwager, en in straattaal werd het vriend. Tatta is een verkorting van patata, het Surinaamse woord voor aardappel. Volgens het woordenboek werd het een scheldwoord voor witte Nederlanders, omdat die veel aardappels aten.

Woorden die niet in het woordenboek staan

Veel straattaalwoorden staan niet in het woordenboek. Bekende woorden als mattie, loesoe en saaf ontbraken er op 4 oktober 2026 nog in. Voor zulke woorden ben je aangewezen op andere lijsten. Niet elke lijst zegt waar de uitleg vandaan komt.

Bovendien verandert de betekenis van een woord soms. Loesoe betekende in 1999 weg. Tegenwoordig betekent het volgens het Meertens Instituut eerder losgaan, gek of wild. Neem een betekenis uit een lijst zonder bron dus niet aan als vaststaand feit.

Jongeren draaien woorden ook om. Meid wordt deim en fissa wordt assif. Ook steden krijgen een eigen naam. Damsko is Amsterdam, Roffa is Rotterdam en Utca is Utrecht.

Welke straattaalwoorden kennen jongeren nu?

Minstens negen op de tien ondervraagde scholieren herkennen chickie, patta’s, fittie, loesoe en doekoe. Het zijn woorden uit de jaren negentig, en jongeren in het hele land kennen ze nog. Dat vonden Mourigh en zijn collega’s Kristel Doreleijers en Stef Grondelaers van het Meertens Instituut. Ze namen 20 woorden uit het onderzoek van Appel. Die legden ze voor aan het Jongerenpanel van het instituut. Een panel is een vaste groep mensen die vaker een vragenlijst invult. In dit panel zitten scholieren van 16 jaar en ouder. In totaal vulden 573 scholieren de vragenlijst in.

De tabel laat per woord zien welk deel van de jongeren het herkent en welk deel het zelf zegt te gebruiken. Erbij staat de betekenis uit 1999. We tonen 12 van de 20 woorden.

WoordBetekenis in 1999Herkent hetGebruikt het
chickiemeisje97,8%53,2%
patta’sschoenen92,7%51,5%
fittievechten, gevecht91,2%48,0%
loesoeweg90,7%42,7%
doekoegeld90,7%30,0%
jonkojoint88,5%47,8%
killjongen83,9%31,7%
ossohuis79,5%36,1%
fatoegrapje69,8%36,6%
tattaNederlander68,0%24,1%
fajaerg, vies45,6%23,4%
gilagulden16,8%7,3%
Bron: Onze Taal, januari 2026, onderzoek via het Jongerenpanel van het Meertens Instituut

Kennen is iets anders dan gebruiken

Jongeren herkennen elk woord vaker dan ze het zelf gebruiken. Negen op de tien kennen bijvoorbeeld doekoe. Maar drie op de tien zeggen het woord zelf te gebruiken. Wij telden 12 woorden die meer dan de helft van de jongeren herkent. Tien daarvan staan in onze tabel. De andere twee zijn standaard en pasen.

Appel noemde in 1999 de 11 woorden die zijn leerlingen het vaakst opschreven. Acht daarvan herkent meer dan de helft van de jongeren van nu. Ook dat telden wij zelf.

Bij deze cijfers horen een paar kanttekeningen. Het panel bestaat vooral uit leerlingen van havo en vwo. De cijfers gelden dus niet zomaar voor alle jongeren.

Het woord standaard werd het vaakst gebruikt, maar niet meer in de oude betekenis tof. Daarom staat het niet in onze tabel. Ook pasen lieten we weg. In 1999 was dat straattaal voor geven. Het is ook een gewoon Nederlands woord, en de onderzoekers schrijven niet welke betekenis de jongeren bedoelden. Gila verdween samen met de gulden. Geen enkele jongere kwam nog op de betekenis gulden.

Is straattaal hetzelfde als jongerentaal of dialect?

Nee. Straattaal is een vorm van jongerentaal, maar niet alle jongerentaal is straattaal. Appel noemde straattaal in 1999 een meertalige variant van de algemene jongerentaal. Het verschil zit in de mix. De taal die generatie Z van TikTok haalt, bestaat volgens Onze Taal uit losse kreten die meestal uit het Engels komen. Voorbeelden zijn rizz voor aantrekkingskracht en slay voor geweldig. Straattaal mengt meer talen en verandert ook de klank en de zinsbouw. Wie bij die generatie hoort, lees je in ons artikel over generatie Z en de andere generaties.

Een dialect hoort bij een streek. Straattaal hoort bij een leeftijd en een groep. Toch lijken ze op elkaar, schrijft Mourigh. Je gebruikt ze allebei in het dagelijks leven, met mensen die je kent. Het Standaardnederlands is het Nederlands van het nieuws en van school. Dat gebruik je als het netjes moet, bijvoorbeeld in de les of bij een sollicitatie. In Brabant mengen jongeren hun dialect zelfs met straattaal en Engels, meldt het Meertens Instituut.

Wie spreekt straattaal en waarom?

Vrijwel alle jongeren herkennen en gebruiken straattaal in meer of mindere mate, schrijven de onderzoekers in Onze Taal. In de jaren negentig leek het iets van de Randstad. Het onderzoek vond geen grote verschillen meer tussen de Randstad en de rest van het land. Ook op een school in Eindhoven of Leeuwarden hoor je het. Wel geldt: hoe groter de plaats, hoe meer straattaal.

Meertalige jongeren gebruiken straattaal vaker dan jongeren die alleen Nederlands kennen. Samen spreken de jongeren in het panel 72 andere talen. Jongens lijken straattaal vaker te gebruiken dan meisjes, en ook hun reden verschilt. Jongens willen er vaker stoer mee overkomen. Meisjes gebruiken het daarentegen vaker als grap.

Die redenen zijn weinig veranderd. In het onderzoek van Appel zei ongeveer 75 procent van de leerlingen straattaal te gebruiken. Ze vonden het toen ook al grappig en stoer. ‘Het is zo saai als je altijd hetzelfde praat’, zei een van hen.

Volwassenen horen er niet bij, en dat is de bedoeling. Straattaal geeft een groepsgevoel, juist omdat buitenstaanders het niet meteen begrijpen. Jongeren vinden het volgens het Meertens Instituut vaak cringe als volwassenen straattaal gebruiken. Cringe is jongerentaal voor gênant. Ons advies aan ouders: praat het niet na. Vraag liever wat een woord betekent.

Maakt straattaal je Nederlands slechter?

Daar is geen aanwijzing voor, zolang je kunt schakelen tussen straattaal en gewoon Nederlands. Gemeten is het in deze onderzoeken niet. Appel werkte in 1999 met een vragenlijst. Juist leerlingen die zeiden het Nederlands goed te beheersen, gebruikten straattaal. ‘Wie het Nederlands niet goed beheerst, gebruikt ook geen straattaal’, schreef hij. Voor veel jongeren is straattaal dus een extra register. Een register is een manier van praten die bij een situatie past. Wie ‘paas een gila’ zegt, kent ook de woorden geven en gulden.

Appel zag wel een risico. Sommige jongeren beheersen het Nederlands matig. Spreken zij onder elkaar vooral straattaal, dan krijgen ze minder kans om het algemene Nederlands te leren. Wij lezen dat zo: het probleem is dan niet de straattaal. Het probleem is te weinig oefening in de taal van school en werk.

Waar komt het beeld van slechter Nederlands dan vandaan? Straattaal wijkt sterk af van het Standaardnederlands, schreef Mourigh in 2023. Daardoor lijkt het voor buitenstaanders, zoals docenten, armer Nederlands. Het Meertens Instituut noemt straattaal geen fout Nederlands. Het is volgens het instituut een variant met eigen klanken, woorden en grammatica.

Waar je als ouder of docent op let

Let niet op de woorden, maar op het schakelen. Zegt je zoon tegen zijn vrienden dat hij loesoe gaat? En schrijft hij daarna een nette sollicitatiebrief? Dan is er niets aan de hand. Onderzoeker Kristel Doreleijers noemt dat registerbewustzijn: weten welke taal bij welke situatie past. Hoe het in Nederland met lezen en schrijven gaat, staat in ons artikel over hoe taalvaardig Nederland is.

Eén vraag is nog open, en die gaat over de ouders zelf. Kennen de jongeren van toen, nu veertigers, de woorden nog? Het Meertens Instituut onderzoekt dat met een vragenlijst onder volwassenen. Op de projectpagina van het instituut stond op 4 oktober 2026 nog geen uitkomst van dat tweede onderzoek.

Veelgestelde vragen over straattaal

Wat zijn de bekendste straattaalwoorden?

Onderzoekers van het Meertens Instituut legden scholieren 20 woorden uit de jaren negentig voor. Dat instituut onderzoekt taal en cultuur in Nederland. Chickie, patta’s, fittie, loesoe en doekoe kenden de scholieren het best. Minstens 90 procent herkende die vijf woorden, bleek in januari 2026. In 1999 betekenden ze meisje, schoenen, gevecht, weg en geld.

Wat betekent doekoe?

Doekoe betekent geld. Het komt van het woord duku uit het Sranantongo, een taal uit Suriname. In het Algemeen Nederlands Woordenboek staat 1999 als oudste vindplaats. Dat woordenboek is van het Instituut voor de Nederlandse Taal.

Staan straattaalwoorden in het woordenboek?

Ja, een deel. Doekoe, fittie en skeer staan in het Algemeen Nederlands Woordenboek. Dat woordenboek is van het Instituut voor de Nederlandse Taal. Op 4 oktober 2026 zochten we de 20 woorden uit onze eerste tabel ook op in de officiële spellinglijst. Er stonden 18 woorden in. Alleen osso en kifesh ontbraken. De lijst is van de Taalunie. Daarin werken Nederland, Vlaanderen en Suriname samen aan het Nederlands.

Wie bedacht het woord straattaal?

Jongeren zelf. De taalkundige René Appel nam het woord in 1999 van hen over voor zijn onderzoek. Leraren spraken eind jaren negentig van smurfentaal. Dat woord vond Appel neerbuigend.

Deel dit artikel

Hoe we dit artikel hebben gemaakt

Eerste publicatie op , laatst bijgewerkt op . Onze redactie heeft dit artikel gecontroleerd op feiten, cijfers en bronnen.

Zie je een fout, of mis je iets? Laat het ons weten, dan zoeken we het uit en passen we het artikel aan. Zo werkt onze redactie.

Bronnen

Team Kennisdomein

Geschreven door

Team Kennisdomein

Team Kennisdomein is de redactie van Kennisdomein. We maken onderwerpen die ingewikkeld lijken begrijpelijk voor iedereen, in gewone taal.

Schrijft over Maatschappelijk, Wereld, Ondernemen en Producten.

Verder lezen in Maatschappelijk

Alle artikelen in Maatschappelijk