Naar de inhoud

Uitleg over hoe iets werkt, in gewone taal.

Maatschappelijk

Opvoeden: de vier opvoedstijlen en waar ze op rusten

Opvoeden rust op vier dimensies: ondersteuning, instructie, controle en grenzen. Wat elk daarvan betekent, en welke vier opvoedstijlen eruit volgen.

Team Kennisdomein Door bijgewerkt op 14 minuten lezen
De basis van opvoeden

Die vier dimensies zijn geen keuzemenu waar je er één uit pakt: je gebruikt ze door elkaar, elke dag, meestal zonder erbij na te denken. Hieronder staat per dimensie wat hij inhoudt en wat de jeugdgezondheidszorg erover zegt. Loop je vast, dan ben je in goed gezelschap. Van elke tien ouders hebben er ongeveer vijf weleens een vraag over de opvoeding, en 3 op de 100 hebben die vaak. Dat cijfer staat in de JGZ-richtlijn Opvoedondersteuning uit 2013, de landelijke werkafspraak voor consultatiebureaus en jeugdartsen, en komt uit onderzoek van 2006.

De definitie van opvoeden

Om de basisdimensies te kunnen behandelen, is het goed om te beginnen bij de definitie. Waar hebben we het precies over?

Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) is het landelijke kenniscentrum over opgroeien en opvoeden. Het omschrijft opvoeden zo: ouders begeleiden hun kind bij zijn ontwikkeling tot iemand die zelfstandig kan meedoen aan de samenleving. Van Dale houdt het korter en spreekt van lichamelijk en geestelijk vormen. Opvoeden heeft dus betrekking op alle omgang tussen ouder en kind, met als doel dat het kind zelfvertrouwen, zelfstandigheid en zelfredzaamheid ontwikkelt. Daarmee kan het uiteindelijk zijn eigen leven leiden.

De vier basisdimensies van opvoeden zijn ondersteuning bieden, instructie geven, controle uitoefenen en grenzen stellen. Als ouder pas je ze altijd in samenhang toe. Met die combinatie help je je kind door alle ontwikkelingsfasen heen, tot het is uitgegroeid tot een zelfstandig, volwassen persoon.

Ondersteuning bieden

Ondersteuning bieden betekent dat je liefde en zorg uit voor je kind, gericht op zowel het fysieke als het emotionele welzijn. Help je kind, toon interesse in waar het mee bezig is, bemoedig het en laat warmte en affectie zien.

Door warmte en affectie te bieden, laat je zien dat je emotioneel beschikbaar bent. Sensitieve responsiviteit hangt daar nauw mee samen. De JGZ-richtlijn Ouder-kind relatie is de landelijke werkafspraak van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid. Die omschrijft sensitieve responsiviteit als het vermogen van de ouder om de signalen en behoeften van een kind goed te begrijpen en er snel en passend op te reageren. Je baby kijkt en wijst ergens naar, jij pakt het op, benoemt wat het is en geeft het eventueel aan. Dat stimuleert de ontwikkeling, doordat je baby leert dat het met signalen invloed heeft op de buitenwereld.

Daar hoort meteen een misverstand bij dat dezelfde richtlijn expliciet wegneemt. Sensitief opvoeden betekent niet dat je kind altijd zijn zin krijgt. Het betekent dat je laat merken dat je ziet wat je kind denkt of voelt, en dat je uitlegt waarom een grens er toch is. Erkennen en toegeven zijn twee verschillende dingen.

Belonen en materiële steun

Ook belonen hoort bij ondersteuning. Met een knuffel, een opgestoken duim of een sticker laat je merken welk gedrag je blij maakt. Je kind krijgt daar een goed gevoel bij en waardeert bovendien de aandacht die het krijgt. Straffen valt strikt genomen onder grenzen stellen, en daarover verderop meer.

De voorbeelden hierboven gaan vooral over emotionele ondersteuning. Daarnaast kun je je kind materieel ondersteunen. Beide vormen hebben hetzelfde effect: een goed gevoel bij je kind.

Instructie geven

In de ontwikkeling naar een zelfstandig en zelfredzaam persoon is instructie geven eveneens belangrijk. Je leert je kind daarmee wat de bedoeling is en welk gedrag in welke situatie wordt verwacht. Zo doet het kennis op en ontwikkelt het vaardigheden.

Je helpt je kind van jongs af aan bij het ontwikkelen van die kennis en vaardigheden. Door na het spelen samen het speelgoed op te ruimen, leert het opruimen en zorgvuldig met spullen omgaan. Een ander voorbeeld is een gezin waarin iedereen bij het avondeten vertelt hoe zijn dag was. Kinderen leren daardoor sociale vaardigheden. Praat het ene kind door het andere heen, dan is het belangrijk dat je aangeeft dat de ander straks aan de beurt is. Zo leert het op zijn beurt wachten.

Instructies geef je zowel gevraagd als ongevraagd. Jonge kinderen moeten nog veel leren, dus bij hen doe je dat vaak ongevraagd. Ervaart je kind dat als positief, dan zal het ook vaker zelf vragen hoe het iets kan aanpakken. Hoe verder kinderen in hun ontwikkeling zijn, hoe meer ze zelf willen uitproberen. Daardoor komen ze vaker in situaties terecht waarin je hen vanuit liefde en zorg wilt beschermen en voor fouten wilt behoeden. Juist dan laat je je kind zoveel mogelijk zelf uitzoeken. Dat geldt extra sterk bij een schoolkind, dat zijn wereld snel groter ziet worden.

Controle uitoefenen

Controle uitoefenen wordt vaak negatief opgevat: strikte regels waar streng op wordt toegezien, zonder dat iemand uitlegt waarom. Onderzoek naar opvoeding laat zien dat kinderen die zo worden opgevoed als groep minder goed af zijn. Ze zijn gemiddeld onzekerder en komen vaker in conflicten terecht. Let op het woord gemiddeld. Zulk onderzoek vergelijkt groepen kinderen met elkaar en voorspelt niets over hoe het met jouw kind afloopt. Het is een verband, geen oorzaak.

Je kunt controle ook positief invullen. Deze opvoeddimensie houdt namelijk in dat je uitlegt wat gewenst gedrag is en waarom. Je geeft aanwijzingen en suggesties, en je doet een beroep op de zelfstandigheid van je kind. Je stelt duidelijke regels. Bij overtreding leg je uit waarom iets niet kan en verbind je er een gevolg aan. Gewenst gedrag beloon je. Zo krijg je je kind mee in het gewenste gedrag, in openheid en zonder de autonomie in te perken. De verantwoordelijkheid voor het gedrag laat je bij je kind. Daarmee stel je je gelijkwaardig op en houd je rekening met wie je kind is.

Die positieve manier van controle uitoefenen stimuleert de ontwikkeling. Je biedt je kind ruimte om te experimenteren met gedrag. Het kan zelf sturen en wordt daardoor uiteindelijk zelfstandiger.

Grenzen stellen

De vierde basisdimensie gaat over iets wat in de vorige dimensies ook al langskwam: grenzen stellen door te straffen en te belonen. Het draait hier om de manier waarop je dat doet.

Begin bij de grens die niet van jou is. In Nederland staat sinds 2007 in de wet dat geweld in de opvoeding niet mag. Het Burgerlijk Wetboek zegt het zo. In de verzorging en opvoeding van het kind passen ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld toe, en ook geen andere vernederende behandeling. Een tik, uitschelden en vernederen vallen daar alle drie onder. Straffen mag dus wel, maar niet op een manier die je kind pijn doet of kleineert. Wat blijft: iets een dag afpakken, een activiteit die niet doorgaat, of een gesprek waarin je uitlegt wat er misging.

Een tweede voorwaarde is dat je het consequent doet. Geef je aan dat bepaald gedrag gevolgen heeft, dan moet je daar ook standvastig in zijn. Dat geldt als het lastigste onderdeel van opvoeden. Ouders zijn vaak bang dat hun kind hen niet meer aardig vindt na een straf. Een kind kan inderdaad boos worden, maar heeft juist baat bij duidelijke grenzen. Het weet daardoor waar het aan toe is en voelt zich serieus genomen.

Wat een straf wel en niet oplevert

Grenzen stellen leert je kind dat gedrag gevolgen heeft. Het leert omgaan met wat de maatschappij van hem vraagt, zijn gedrag afstemmen op een situatie en rekening houden met anderen. Andersom leert het ook zelf grenzen stellen.

Geef een straf verder nooit vanuit frustratie. De straf staat dan vaak niet in verhouding tot het gedrag en mist daardoor zijn doel. Merk je dat je jezelf niet meer in de hand hebt, loop dan eerst even weg bij de situatie. Dat is geen falen; dat is precies wat de wet hierboven van je vraagt.

Richt je daarnaast op het gewenste gedrag en niet alleen op het ongewenste. Vaak bestraffen ouders vooral ongewenst gedrag en belonen ze gewenst gedrag te weinig. Ongewenst gedrag valt nu eenmaal meer op, waardoor daar meer aandacht naartoe gaat. Zo kun je in een negatieve spiraal belanden. Merk je dat? Negeer ongewenst gedrag dan vaker in plaats van het te bestraffen, en beloon gewenst gedrag meer. Je kind wil jou graag blij maken en vindt jouw aandacht fijn. Krijgt het die vooral bij gewenst gedrag, dan zal het dat vaker laten zien.

De vier opvoedstijlen

De vier dimensies draaien uiteindelijk om twee grote lijnen: hoeveel warmte en ondersteuning je geeft, en hoeveel sturing en controle. Op basis daarvan onderscheidt de pedagogiek vier opvoedstijlen. Psycholoog Diana Baumrind beschreef er in 1966 drie; de vierde, verwaarlozende stijl werd in 1983 toegevoegd door Eleanor Maccoby en John Martin.

In de tabel hieronder zie je hoe die vier stijlen zich tot elkaar verhouden op die twee lijnen.

OpvoedstijlWarmte en ondersteuningSturing en controle
Autoritatief (democratisch)HoogHoog
AutoritairLaagHoog
Permissief (toegeeflijk)HoogLaag
Verwaarlozend (afwijzend)LaagLaag
Bronnen: Baumrind (1966) en Maccoby en Martin (1983).

De autoritatieve of democratische opvoedstijl komt er in onderzoek het gunstigst uit. De JGZ-richtlijn Ouder-kind relatie omschrijft hem als veel sensitieve responsiviteit, gecombineerd met duidelijke regels en grenzen die je op een positieve manier stelt. Zo krijgt een kind ruimte om zich te ontwikkelen en weet het tegelijk waar het aan toe is.

Herken je jezelf in geen van de vier hokjes, dan klopt dat waarschijnlijk. De stijlen zijn een manier om patronen te beschrijven, geen persoonlijkheidstest. De meeste ouders zitten ergens tussenin, en dezelfde ouder reageert op een drukke maandagochtend anders dan op een rustige zondag.

Waar kun je terecht met opvoedvragen?

Iedere ouder loopt weleens vast. Dat hoort erbij en is geen teken dat je het verkeerd doet. Jeugdverpleegkundigen en jeugdartsen zien bij ongeveer 85 van de 100 gezinnen die zij spreken helemaal geen opvoedproblemen. Bij 10 gezinnen zien ze lichte problemen, bij 4 matige en bij 1 zware. Dat is de inschatting uit de JGZ-richtlijn Opvoedondersteuning. In Nederland kun je op verschillende plekken terecht, van een korte vraag tot langere begeleiding.

  • Het consultatiebureau, voor kinderen van 0 tot 4 jaar, met vragen over groei, gedrag, slapen en eten.
  • De jeugdgezondheidszorg van de GGD, die kinderen vanaf 4 jaar volgt en er ook is voor opvoedvragen.
  • Het Centrum voor Jeugd en Gezin: het gemeentelijke loket voor opvoedadvies, dat per gemeente een andere naam kan hebben. Op groeigids.nl vind je het loket bij jou in de buurt, vaak met een chat.
  • De leerkracht of de intern begeleider van school, die je kind dagelijks tussen leeftijdsgenoten ziet.
  • De huisarts, het startpunt wanneer je vermoedt dat er meer speelt en je wilt worden doorverwezen. Thuisarts.nl, de publiekssite van de huisartsen en medisch specialisten, heeft een aparte pagina voor ouders bij wie het thuis niet goed gaat.
  • Het Nederlands Jeugdinstituut en het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie, dat laatste voor ouders die zich zorgen maken over de psychische gezondheid van hun kind.

Als het thuis niet veilig voelt

Gaat het thuis niet goed en twijfel je of het nog veilig is, voor je kind of voor jezelf, bel dan Veilig Thuis via 0800-2000. Dat nummer is gratis, dag en nacht bereikbaar, en je kunt er anoniem advies vragen zonder dat er meteen iets in gang wordt gezet.

Speelt er iets rond een specifieke leeftijd, kijk dan ook naar wat er in die fase gebruikelijk is. Wat bij een peuter normaal gedrag is, vraagt bij een puber om een heel andere aanpak.

Meer dan alleen bij opvoeden

Deze vier dimensies gaan over opvoedsituaties, maar je ziet ze breder terug. Ook op school en op het werk komen ze voor. Merkt een teamleider dat medewerkers vaak te laat bij een vergadering zijn, dan benoemt hij dat. Hij legt ook uit waarom het niet de bedoeling is. Praat een student continu door een college heen, dan kan een docent hem eruit sturen, omdat het de les verstoort.

Wat de vier dimensies niet vertellen

De vier dimensies en de vier stijlen zijn een manier om opvoeden te beschrijven, geen meetlat waarlangs je jezelf kunt leggen. Ze komen uit onderzoek dat groepen kinderen met elkaar vergelijkt, en zulk onderzoek laat verbanden zien, geen oorzaken. Kinderen van ouders die veel warmte en duidelijke grenzen combineren, doen het gemiddeld beter. Dat betekent niet dat die stijl het resultaat veroorzaakt, en al helemaal niet dat het bij jouw kind ook zo gaat.

Waar het onderzoek vandaan komt

Er zit nog iets onder. Baumrind deed haar onderzoek in de jaren zestig in de Verenigde Staten, en het meeste vervolgonderzoek komt uit westerse landen. Wat daar als warmte of als sturing wordt herkend, ziet er in een ander gezin of een andere cultuur anders uit. Een ouder die weinig praat maar altijd klaarstaat, scoort in zo’n model niet vanzelf hoog op warmte.

En je kind doet zelf ook mee. Twee kinderen in hetzelfde gezin, met dezelfde ouders en dezelfde regels, kunnen heel verschillend reageren. Het model gaat over wat jij doet en zegt weinig over wat je kind meebrengt.

Gebruik de vier dimensies daarom waarvoor ze bedoeld zijn: als een manier om te kijken wat je veel doet en wat je misschien laat liggen. Merk je dat je vooral corrigeert en weinig beloont, dan is dat een bruikbaar signaal. Zit je met zorgen waar je zelf niet uit komt, ga dan naar het consultatiebureau, de jeugdgezondheidszorg of je huisarts. Daar zit iemand die je kind kan zien; een tabel kan dat niet.

Veelgestelde vragen over opvoeden

Wat zijn de vier basisdimensies van opvoeden?

De vier basisdimensies zijn ondersteuning bieden, instructie geven, controle uitoefenen en grenzen stellen. Je past ze altijd in samenhang toe.

Welke opvoedstijlen zijn er?

Op basis van warmte en controle worden vier opvoedstijlen onderscheiden: autoritatief (democratisch), autoritair, permissief (toegeeflijk) en verwaarlozend. De autoritatieve stijl komt er in onderzoek het gunstigst uit. Het zijn beschrijvingen van patronen, geen hokjes waar elke ouder in past.

Wat is sensitieve responsiviteit?

Sensitieve responsiviteit is het vermogen van een ouder om de signalen van het kind goed te begrijpen en er snel en passend op te reageren. Zo omschrijft de JGZ-richtlijn Ouder-kind relatie het, de landelijke werkafspraak voor de jeugdgezondheidszorg. Het betekent niet dat je kind altijd zijn zin krijgt.

Mag je je kind straffen?

Straffen mag, geweld niet. Het Burgerlijk Wetboek verbiedt in de verzorging en opvoeding elke vorm van geestelijk of lichamelijk geweld en elke andere vernederende behandeling. Een tik, uitschelden en vernederen zijn daarmee sinds 2007 wettelijk uitgesloten. Een activiteit die niet doorgaat of iets dat je een dag afpakt, mag wel.

Waarom is grenzen stellen belangrijk?

Grenzen stellen leert je kind dat gedrag gevolgen heeft. Het weet daardoor waar het aan toe is en voelt zich serieus genomen. Doe het wel consequent en nooit vanuit frustratie.

Waar kun je terecht met een opvoedvraag?

Voor kinderen tot 4 jaar bij het consultatiebureau, daarna bij de jeugdgezondheidszorg van de GGD. Elke gemeente heeft daarnaast een Centrum voor Jeugd en Gezin voor opvoedadvies; via groeigids.nl vind je het loket bij jou in de buurt. Vermoed je dat er meer speelt, begin dan bij de leerkracht of de huisarts. Twijfel je of het thuis nog veilig is, bel dan Veilig Thuis via 0800-2000.

Deel dit artikel

Hoe we dit artikel hebben gemaakt

Eerste publicatie op , laatst bijgewerkt op . Geschreven door onze eigen redactie en nagelopen op feiten, cijfers en bronnen.

Klopt er iets niet, of mis je iets? Laat het ons weten. We lopen het na en passen het artikel aan.

Bronnen

Team Kennisdomein

Geschreven door

Team Kennisdomein

Team Kennisdomein is de redactie van Kennisdomein en geen persoon. De kern wordt gevormd door Chadli Hachani en Sonja Schwedersky, aangevuld met vaste schrijvers en meelezers per onderwerp.

Schrijft over Maatschappelijk, Ondernemen, Producten en Marketing.

Verder lezen in Maatschappelijk

Alle artikelen in Maatschappelijk